Cup-a-soup

woordsoep in een kommetje


Solondz’ cynisme

Happiness vond ik (damals in ’99) een fijne film. Het is altijd leuk als een regisseur op een scherpe en intelligente manier durft te spelen met Holywood-clichés zonder dat het meteen ontaardt in een humorloze aanklacht tegen de Amerikaanse film. Solondz (die ik volg sinds ik in een verdwaald zap-moment terecht kwam in Welcome to the dollhouse en verbijsterd bleef hangen) filmt Amerikanen die van de vrachtwagen van de American dream zijn gevallen. Hij is niet de enige. Ook films als Trees Lounge (van Steve Buscemi!), Eternal sunshine of the spotless mind, Revolutionary road, Ghost world, Little Children en zelfs American beauty (om er een paar te noemen) tonen ons het ‘andere Amerika’. Het Amerika van de drinkers, de bowlers, de kassajuffen, de vietnamveteranen, en de naam- en succesloze klerken en vuilnismannen die ook nodig zijn to build a glorious nation.

 

De genoemde films proberen allemaal het poëtische van het bestaan aan de onderkant te laten zien, soms met humor, soms met een ondertoon van bitterheid en altijd met een poging tot integriteit. Geen valse schijn, maar life as it is. Maar het blijft kunst natuurlijk en het moet ook nog eens gefinancierd worden. Dat betekent dat ook de regisseurs van deze – meestal wat kleinere – producties kunstgrepen moeten toepassen om de kijker aan het doek te kluisteren. Een kwestie van balanceren. De filmmakers doen hun best een realistisch(er) beeld te schetsen van de wrede, alledaagse werkelijkheid, maar het moet ook weer niet te dichtbij komen. Om de realiteit in beeld te brengen volstaat het immers een camera en een microfoon op een kruispunt neer te zetten en te kijken wat er gebeurt. Daar komt geen hond naar kijken. Een bioscoopkaartje kost toch acht euro en als je gewoon voor de supermarkt kan gaan zitten voor dezelfde dosis kunstzinnige ontroering, is de aanschaf van een klapstoeltje een betere investering.

 

Gisteren zag ik ‘Life during wartime’, de laatste film van Todd Solondz. Je kan veel over hem zeggen, maar niet dat hij zijn best doet om zijn publiek een avondje onbezorgd romantisch vermaak te bezorgen. Solondz is een van die regisseurs die ons ‘het andere Amerika’ wil laten zien. Zijn invalshoek is negatief op het kwaadaardige af. Zijn personages zijn zonder uitzondering schlemielen die van alles van plan zijn met hun levens, maar daar komt nooit wat van terecht. Naargeestige seks, ouderdom, dood en gebreken, mislukte relaties, (on)schuld en boete, verstoorde ouder-kindrelaties… ik vergeet er ongetwijfeld een paar. Echt gezellig wordt het nooit. In Hapiness stoorde het me niet, omdat het door het hoge tempo en de meedogenloze zwarte humor ontaardde in een geslaagde zwarte komedie. Bovendien herkende je in sommige personages (de eenzame rukker, gespeeld door Ph. Seymour Hoffman en de intens treurige weldoenster Jane Adams) wel iemand uit je kennissenkring. Happiness was een allesbehalve luchtig niemendalletje waar je niettemin flink om kon lachen. (De beroemde vader-zoon scène laat ik even buiten beschouwing).

 

Ook in Life during wartime valt wel wat te lachen. Een keer of drie. De rest van de film gaat vooral gebukt onder Solondz’ dwangmatige pogingen het allertreurigste in zijn personages boven te halen. Dat gaat niet altijd vanzelf. Vandaar dat Solondz bovenop de reeds bekende treurnis die de mens (en Solondz’ protagonisten in het bijzonder) aankleeft regelmatig op zoek moet naar mogelijkheden om het allerergste nog erger maken. Moedwil en misverstand, wat u zegt. De zoon van een pedoseksuele psychiater denkt dat de nieuwe vriend van zijn moeder (een sukkel met een autistische zoon) hem aanrandt en blaast door zijn paniekkreet de nieuwe relatie van zijn moeder op. Die moeder heeft hem gewaarschuwd voor mannen met slechte bedoelingen. ‘Als ze je aanraken, zet je het op een schreeuwen’. Dat hij dat uiteindelijk ook doet als de arme sukkel hem bij wijze van troost omhelst, komt niet als een verrassing. Te bedacht, niet grappig, irritant. In het off Hollywood genre net zo voorspelbaar als de warme omhelzing op het eind van een romantische komedie met Meg Ryan of Julia Roberts.

 

Dat heb ik – als ik eerlijk ben – dan toch liever. Met de strekking ‘het leven is een tranendal’ en ‘nothing now can ever come to any good’ kan ik net zo weinig als met de moraal ‘alles is mogelijk als je je best maar doet’ of ‘liefde overwint alles’. Je mag van een film – van elk kunstwerk eigenlijk – verwachten dat het je intellectueel vermaakt of prikkelt. En dat je wereldbeeld na bewondering even niet helemaal recht op de horizon staat. Als je na afloop alleen maar denkt: goh, die mensen hebben het allemaal ook niet makkelijk, om daarna fijn aan het bier te gaan, is het geen kunst. Geen ramp ook, als het dan tenminste nog bloedstollend vermakelijk was. Ik moest een keer hard lachen. Om die autistische zoon die alle ellende van zijn mede-personages relativeerde met ‘In the end China will take over and none of this will matter’.

 

Wie vatbaar is voor Solondz’ onversneden cynisme kan beter een krant lezen. Of de film skippen en gewoon bier gaan drinken op het terras voor de bioscoop en luisteren naar de gesprekken van de Amsterdamse jeunesse dorée . I wish I had.

Published by admin, on July 17th, 2010 at 4:25 pm. Filled under: Uncategorized

Leave a Reply