nalatenschap
Iedereen die weleens een moppie schrijft, zal ooit met de gedachte hebben gespeeld: wat als mijn meesterwerk na mijn dood uit de la wordt gehaald en alsnog zijn weg naar de uitgever vindt? Alle schrijvers (er zijn geen uitzonderingen) zijn ijdeltuiten. Als je denkt dat er tegen een achtergrond van drie Chinese muren vol boeken nog iemand zit te wachten op jouw gefröbel in de marge, dan is bescheidenheid niet je meest in het oog springende karaktereigenschap. Punt. Maar ik denk wel dat er schrijvers zijn die geen roem voorbij het graf nastreven. Waarom zouden ze ook? Niemand kan ze meer lof toezwaaien of hun werk onder de zoden moffelen. Nou ja, het kan wel, maar de schrijver neemt het allemaal niet meer waar. Toch is de gedachte dat iemand na je dood in jouw spullen graait onverdraaglijk. Een van de kenmerken van ijdelheid is de neiging de regie in handen te willen houden. De spiegel bij de kapper is er niet voor de kapper, maar voor de bezorgde klant die elke beweging van de barbier nauwgezet wil volgen. Als je doodgaat, geef je de sleutel van je schrijfla uit handen. Een verstandig mens ruimt zijn laatje bijtijds leeg. Zo voorkom je dat een in een vlaag van (liefdes)verdriet geschreven draak alsnog ingelijst of (nog erger) als nagelaten gedicht in een verzamelbundel verschijnt. Breek jij daar nou je mooie soepkoppie niet over, Maggi, denkt u. En terecht. De kans dat de duister-romantische verzen die ik op mijn 22ste schreef (’hij kon de dood niet langer vrezen’) het eerste rondje papierbak overleven is verwaarloosbaar. Maar de kans dat dagboekaantekeningen en brieven in handen raken van de verkeerde persoon, die er spartelend van het lachen mee aan de haal gaat, is toch onverteerbaar. Je goede naam gaat anderhalve generatie mee. Er zijn dingen die je je kleinkinderen wilt besparen. Wat hun kinderen van je vinden doet er niet zoveel meer toe. Maar ik zou het (superbia!) leuk vinden als mijn kleinkinderen over mij zouden zeggen, wat mijn huisgenoot T. over zijn grootvader zei: ‘een wonderlijke figuur. Hij heeft zelfs een boek geschreven.’ Leuker dan: ‘een eersteklas mafkees. Toen-ie doodging hebben ze in zijn bureaula een onleesbare homo-erotische roman in brieven gevonden, gericht aan de kroonprins van Denemarken. Hier moet je kijken, kun je lachen!’ Die roman - voor alle duidelijkheid - bestaat niet. De waarheid is misschien nog wel erger. Maar daar komt niemand ooit achter. Ik heb schoon schip gemaakt. Mijn jeugdwerk komt u hooguit nog tegen als de anonieme lettertjes die je soms ziet op goedkoop gerecycled wc-papier. Een troostrijke gedachte dat je zo met je nagelaten werk toch nog iemand een plezier kunt doen.