Het k-woord
Ik ging zwemmen met mijn zoontje en zag vanuit mijn ooghoek dit affiche. Mijn aandacht had het. Meteen. Het is een sterk signaalwoord. Weinig woorden hebben zo’n huiveringwekkende alarmfunctie als het k-woord. Een dag ervoor heeft hetzelfde zoontje met een vriendje gesurft op een site die zijn populariteit dankt aan een ander k-woord. Ik spreek zijn moeder eropaan. Vrolijk, want jongens zijn jongens. En hoewel je liever niet hebt dat ze al op deze leeftijd (ze zijn bijna negen) de horror van internetporno ontdekken, bleef het op de site waar ze terecht waren gekomen bij onschuldige taalgrapjes. ‘Maar goed, je wil liever niet dat ze het k-woord gebruiken,’ zeg ik tegen de moeder. Die moeder draagt een hoofddoekje. Niet vanwege haar religieuze overtuiging. Ze kijkt me niet begrijpend aan. Voor haar betekent het wat anders. Kut! denk ik. Een dag later zie ik het k-woord in een vitrine bij het zwembad. De boodschap is me heel diep uit het hart gegrepen. Ik stoor me al tijden aan het onachtzame gebruik van het woord. Kanker. There I said it. Ik ben nooit zo’n liefhebber van verhullend taalgebruik geweest. Maar ik begrijp ineens waar het goed voor is. Als je het verschrikkelijke hardop uitspreekt, wordt het alledaags. En als het alledaags wordt, verliest het zijn alarmfunctie. Dan begrijpen straatschoffies - zoals de Hyves-’vrienden’ van mijn buurjongetje S. niet meer dat het geen woorden zijn voor lollige over en weertjes. Het is goed dat er eufemismen zijn. En goed dat er moraalridders zijn die de onverschilligheid van sommige taalgebruikers aan de orde stellen, ook al heb je zelf niet altijd zin om die rol te spelen. Richelle Laurijsen (1992 - 2009) doet via http://www.kankerverziektjetaal.nl/een dappere poging om de in onze taal geslopen botheid uit te bannen. Als er een Maggi taalprijs zou bestaan, zou zij hem van me krijgen.