Je leerde mekaar kennen bij de drumband, kreeg verkering, trouwde in het dorpshuis met bloemen van ’t Stekje en een taart van Hendrickx en ging op huwelijksreis naar Thailand, Las Palmas, of gewoon naar Terschelling. Weggaan, uitsluitend voor de sensatie van het terugkomen. Om te kunnen zeggen: ‘ik ben blij dat we weer thuis zijn’ als iemand daar naar vroeg. Maar dat was toen thuis nog thuis was, toen Teunis nog leefde. Vorig jaar is ze voor het eerst tien dagen naar Istanbul geweest. Alles gezien: de Blauwe Moskee, de Bosporus, het Topkapi paleis en de Hagia Sofia, natuurlijk. Waarom hij haar nooit verteld heeft dat hij het zo zwaar had, neemt ze hem allang niet meer kwalijk. Maar sinds ze terug is uit Istanboel denkt ze dat ze nooit terug hadden moeten komen, destijds. Er was zelfs een tijd dat ze dacht dat het aan haar lag. Dat hij zijn eenzame gang naar de zolder nooit was gegaan als ze op haar 24ste met hem aan de oever van de Bosporus pootje had durven baden. Op een website voor lotgenoten las ze de bittere woorden van Gekkie72. Die schreef: ‘ik ben bang dat ik hem te veel belemmerd heb’. Na intensief mailcontact hebben ze elkaar in maart voor het eerst in het echt gesproken. Gekkie72 heet in werkelijkheid Yvonne. Als je ze zo ziet zitten op het terras van ‘De Wereld’ zou je niet zeggen dat daar twee vrouwen zitten die volgende week met een zelfgebouwd vlot meedoen aan tobbedansen. Gisela verheugt zich erop. Onder ‘motivatie’ heeft ze in de aanmeldingsbrief in blokletters geschreven: ‘IS IETS DAT IK MIJN HELE LEVEN AL HEB WILLEN DOEN’. Op de avond voor de reis naar Enkhuizen gaat ze nog wel even langs Teunis’graf. Ze wil iets verontschuldigend zeggen, maar de woorden willen niet komen.
Happiness vond ik (damals in ’99) een fijne film. Het is altijd leuk als een regisseur op een scherpe en intelligente manier durft te spelen met Holywood-clichés zonder dat het meteen ontaardt in een humorloze aanklacht tegen de Amerikaanse film. Solondz (die ik volg sinds ik in een verdwaald zap-moment terecht kwam in Welcome to the dollhouse en verbijsterd bleef hangen) filmt Amerikanen die van de vrachtwagen van de American dream zijn gevallen. Hij is niet de enige. Ook films als Trees Lounge (van Steve Buscemi!), Eternal sunshine of the spotless mind, Revolutionary road, Ghost world, Little Children en zelfs American beauty (om er een paar te noemen) tonen ons het ‘andere Amerika’. Het Amerika van de drinkers, de bowlers, de kassajuffen, de vietnamveteranen, en de naam- en succesloze klerken en vuilnismannen die ook nodig zijn to build a glorious nation.
De genoemde films proberen allemaal het poëtische van het bestaan aan de onderkant te laten zien, soms met humor, soms met een ondertoon van bitterheid en altijd met een poging tot integriteit. Geen valse schijn, maar life as it is. Maar het blijft kunst natuurlijk en het moet ook nog eens gefinancierd worden. Dat betekent dat ook de regisseurs van deze – meestal wat kleinere – producties kunstgrepen moeten toepassen om de kijker aan het doek te kluisteren. Een kwestie van balanceren. De filmmakers doen hun best een realistisch(er) beeld te schetsen van de wrede, alledaagse werkelijkheid, maar het moet ook weer niet te dichtbij komen. Om de realiteit in beeld te brengen volstaat het immers een camera en een microfoon op een kruispunt neer te zetten en te kijken wat er gebeurt. Daar komt geen hond naar kijken. Een bioscoopkaartje kost toch acht euro en als je gewoon voor de supermarkt kan gaan zitten voor dezelfde dosis kunstzinnige ontroering, is de aanschaf van een klapstoeltje een betere investering.
Gisteren zag ik ‘Life during wartime’, de laatste film van Todd Solondz. Je kan veel over hem zeggen, maar niet dat hij zijn best doet om zijn publiek een avondje onbezorgd romantisch vermaak te bezorgen. Solondz is een van die regisseurs die ons ‘het andere Amerika’ wil laten zien. Zijn invalshoek is negatief op het kwaadaardige af. Zijn personages zijn zonder uitzondering schlemielen die van alles van plan zijn met hun levens, maar daar komt nooit wat van terecht. Naargeestige seks, ouderdom, dood en gebreken, mislukte relaties, (on)schuld en boete, verstoorde ouder-kindrelaties… ik vergeet er ongetwijfeld een paar. Echt gezellig wordt het nooit. In Hapiness stoorde het me niet, omdat het door het hoge tempo en de meedogenloze zwarte humor ontaardde in een geslaagde zwarte komedie. Bovendien herkende je in sommige personages (de eenzame rukker, gespeeld door Ph. Seymour Hoffman en de intens treurige weldoenster Jane Adams) wel iemand uit je kennissenkring. Happiness was een allesbehalve luchtig niemendalletje waar je niettemin flink om kon lachen. (De beroemde vader-zoon scène laat ik even buiten beschouwing).
Ook in Life during wartime valt wel wat te lachen. Een keer of drie. De rest van de film gaat vooral gebukt onder Solondz’ dwangmatige pogingen het allertreurigste in zijn personages boven te halen. Dat gaat niet altijd vanzelf. Vandaar dat Solondz bovenop de reeds bekende treurnis die de mens (en Solondz’ protagonisten in het bijzonder) aankleeft regelmatig op zoek moet naar mogelijkheden om het allerergste nog erger maken. Moedwil en misverstand, wat u zegt. De zoon van een pedoseksuele psychiater denkt dat de nieuwe vriend van zijn moeder (een sukkel met een autistische zoon) hem aanrandt en blaast door zijn paniekkreet de nieuwe relatie van zijn moeder op. Die moeder heeft hem gewaarschuwd voor mannen met slechte bedoelingen. ‘Als ze je aanraken, zet je het op een schreeuwen’. Dat hij dat uiteindelijk ook doet als de arme sukkel hem bij wijze van troost omhelst, komt niet als een verrassing. Te bedacht, niet grappig, irritant. In het off Hollywood genre net zo voorspelbaar als de warme omhelzing op het eind van een romantische komedie met Meg Ryan of Julia Roberts.
Dat heb ik – als ik eerlijk ben – dan toch liever. Met de strekking ‘het leven is een tranendal’ en ‘nothing now can ever come to any good’ kan ik net zo weinig als met de moraal ‘alles is mogelijk als je je best maar doet’ of ‘liefde overwint alles’. Je mag van een film – van elk kunstwerk eigenlijk – verwachten dat het je intellectueel vermaakt of prikkelt. En dat je wereldbeeld na bewondering even niet helemaal recht op de horizon staat. Als je na afloop alleen maar denkt: goh, die mensen hebben het allemaal ook niet makkelijk, om daarna fijn aan het bier te gaan, is het geen kunst. Geen ramp ook, als het dan tenminste nog bloedstollend vermakelijk was. Ik moest een keer hard lachen. Om die autistische zoon die alle ellende van zijn mede-personages relativeerde met ‘In the end China will take over and none of this will matter’.
Wie vatbaar is voor Solondz’ onversneden cynisme kan beter een krant lezen. Of de film skippen en gewoon bier gaan drinken op het terras voor de bioscoop en luisteren naar de gesprekken van de Amsterdamse jeunesse dorée . I wish I had.
In 1974 waren we negen. Onze vaders hadden het er weleens over, maar om het historisch belang van een moment in te zien, moet je zelf eerst een beetje historie hebben. In juni 1988 keken we op de Korreweg – een beetje onwennig – naar de halve finale. Na het laatste fluitsignaal keken we elkaar aan. Wat nu? Iemand zette ‘Caroline says’ van Lou Reed op. Het had nergens wat mee te maken, maar we luisterden er bijna eerbiedig naar. Iemand anders kwam met het idee om ergens iets te gaan drinken. We fietsten naar de Grote Markt. Naarmate we dichterbij kwamen, hoorden we steeds meer mensen zingen en schreeuwen. Ook in ons clubje riep iemand zomaar ‘olé’. We keken hem geschrokken aan. De straten rond de Grote Markt waren een kolkende zee van steeds lavelozer brullende oranjefans. Na een halfuur durfde je zelf ook een keer mee te scanderen ‘Marco van Basten!’. Een paar biertjes later stond je ineens in innige omhelzing met een grote stadjer die je op andere uitgaansavonden waarschijnlijk dood had geschopt als je per ongeluk tegen hem aan was gelopen. Nog weer later die nacht zei iemand– die later kunstschilder zou worden – ‘het is een nacht voor grootse dingen. Ik zou nu wel een kind willen verwekken.’ De volgende ochtend kocht ik alle kranten.
Een dag of wat later deden we het allemaal nog eens, maar zonder Lou Reed. ‘De druk op het Russische doel neemt toe’ riep iemand die later geluidstechnicus zou worden. J. Kende ik toen nog niet. Hij keek de wedstrijden elders. In het stadion. Tegen Duitsland en tegen de USSR. Tegen zoveel feest waren onze bankrekeningen niet bestand. Dat bracht ons – flat broke – samen op een ochtend op de stoep voor het academisch ziekenhuis. We slikten drie weken nifedipine, tegen betaling. Zonder schulden begonnen we aan de tweede helft van onze levens. Vol vertrouwen in de finales die nooit meer kwamen.
Ik doe een cursus. Die wordt voorgezeten door een geleerde vrouw die al bij de eerste bijeenkomst liet weten dat ‘goed onderzoek’ heeft aangetoond dat het merendeel van onze gedachten negatief is. Ons verstand heeft zich ontwikkeld in een evolutiestadium waarin negativiteit ons veel goeds bracht. In die jaren (we spreken ruim voor het eerste paarse kabinet) was overal om ons heen gevaar. De geleerde vrouw gaf het (veelzeggende) voorbeeld van de slang in de bosjes. De gedachte: ik waag me niet te dicht bij die bosjes, want er kan een slang in zitten, heeft een heleboel mensen het leven gered toen er nog daadwerkelijk slangen in onze bosjes zaten. Maar in een maatschappij als de onze, waarin alle wildleven succesvol is verbannen naar dierentuinen en verafgelegen wildparken zouden we met een gerust hart weer de bosjes in kunnen duiken. Tegelijk zouden we misschien eens een grote schoonmaak moeten houden op de stoffige zolder van onze geest. Ik ben van een generatie die negativiteit tot kunst verhief. Jou Division, Birthday Party, The Sound, doem. Een tegenreactie op het misplaatste gestrooi met bloemblaadjes in de jaren zestig en zeventig. Ik bleef liever uit de buurt van de bosjes, omdat je nooit kon weten of er een hippie in zat. Nu ik een bezadigde man met een jasje voor ’t net ben geworden, begrijp ik wel dat het allebei even belachelijk is. Toch heb ik steeds minder de neiging negativiteit en diepzinnigheid met elkaar te verwarren. Wees gerust: ik ga niet meteen roepen dat Kader A. tóch een belangrijk denker is. Maar ik ga wel vaker kijken naar Max Frisch’ wijze vraag die ik allang ‘met een hete breinaald in een plankje’ heb gebrand:
‘5. wenn sie alles lachen abziehen, das auf kosten von dritten geht: finden sie, daß sie oft humor haben?’
Dat zijn vader dominee was, vertelde hij niet aan iedereen. Zijn vrouw wist het. Verder had hij het in een zwak, dronken moment wel eens laten vallen in het gezelschap van zijn academievrienden. Het was nooit meer ter sprake gekomen en hij ging er vanuit dat zijn jaargenoten het weer vergeten waren. In Veenendaal, waar hij was opgegroeid, had hij wel gevoeld hoe de mensen naar hem keken. Dat zou hem in Rotterdam niet meer overkomen. Hij geloofde nergens in. De boedhabeelden naast de schouw waren van Odette. Toch was er altijd dat moment, als hij zijn hand uitstak om een van zijn leerlingen uit het water te trekken. Dan kwam er iets herderlijks over hem. En de galm in het lege zwembad – als de ouders weg waren en de kinderen met bange ogen naar hem opkeken. Dan was hij even niet de zoon van de dominee, maar de dominee zelf. Dat kwam dan wel weer goed als zo´n godverdommes verwend kutjoch niet door het onderwatergat durfde. ‘Je moest eens weten wat ik allemaal niet durf,’ siste hij in zo’n geval. En dan was hij weer gewoon Harwin, de jongen die balletdanser had willen worden. Maar door zijn vader naar de academie voor lichamelijke opvoeding was gestuurd.