Pardon? Ja, paarden.
JH Heldring maakt zich in NRC in navolging van Tjeenk Willink (‘De vicepresident van de Raad van State (…) de op één na hoogste functie in ons staatsbestel, de lezer is gewaarschuwd!’) zorgen over de afnemende talenkennis van de Nederlander. Van zulke masochistische exercities (wij zijn miezers, klein en onbeduidend alles wat wij ondernemen is tot mislukken gedoemd. Het is onze schuld. We zullen alles terugbetalen) krijg ik altijd ‘jeuk op plaatsjes waar je net niet bijkan.’
Heldring: ‘<Ons> „gebrek aan talenkennis is een van de (onbedoelde) neveneffecten van de onderwijsvernieuwingen en van de eenzijdige sociaal-culturele gerichtheid op de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk”. Die onderwijsvernieuwingen zijn, zo mag ik er misschien aan toevoegen, meestal door PvdA-ministers ingevoerd.’
Ik zou zeggen: dat ‘veronderstelde gebrek aan talenkennis’, want ook de bekleder van de op een na hoogste functie in ons staatsbestel ontglipt wel eens een gezellig borrelpraatje. De mededeling wordt althans niet onderbouwd door statistieken of getallen. Maar laten we eerlijk zijn: dat wij van na de Mammoetwet minder Franse en Duitse woordenschat paraat hebben dan de gymnasiale en Hogere Burgerschoolse reuzen op wiens schouders wie wankelen, is geen nieuws. De meesten van ons zullen maar zo niet de vier betekenissen van het woord ‘Stufe’ op kunnen hoesten, laat staan dat iemand van ons onvoorbereid kan uitleggen wat de conditionnel van ‘faire’ ook weer was. Toch lijkt het mij wel mee te vallen met die ‘eenzijdige sociaal-culturele gerichtheid’. Als ik tenminste mag aannemen dat we het over de culturele elite hebben. (En waar hebben we het anders over, want toen Heldring en Tj. Willink hun eerste lange broek kregen, was de luxe van een tweede taal ook voorbehouden aan een kleine groep bevoorrechten). Het is eerder zo dat de Verenigde Staten het eeuwig mikpunt zijn van misplaatst dédain van Europese intellectuelen die in elke Franse worst met een AOC-labeltje een bewijs zien van de culturele superioriteit van de oude wereld. Die elk tot film uitgesmeerd stijlexperiment van een regisseur met een Franse achternaam lyrisch bezingen en elke Hollywood-film op voorhand verketteren. Die – ondanks hun gebrekkige kennis van de Franse grammatica – Frans ‘een heerlijke taal’ vinden en de Fransen ‘heerlijke mensen’ die nog weten wat het goede leven is.
Ik denk dat je met evenveel recht kunt zeggen dat de intellectuele voorhoede in sociaal-cultureel opzicht eenzijdig gericht is op Frankrijk. Dat de taal door toedoen van de boemannen van de PVDA (een mening die ik trouwens volledig onderschrijf) een moeilijk te nemen hobbel is, weerhoudt niemand van openlijk vertoon van francofilie. En dat geeft niks. Van mij hoeft iemand die van gravad laks en Strindberg houdt het Zweeds niet perse in woord en geschrift te beheersen. Sterker nog: ik vind verplicht onderwijs in niet-courante talen een groteske verspilling van overheidsgelden in een tijd waarin gesproken wordt over afschaffing van de basisbeurs. De rol van het Frans als lingua franca voor het internationale intellectuele discours lijkt te zijn uitgespeeld. De belangrijkste wetenschappelijke bladen zijn Engelstalig. En dat is handig, om de eenvoudige reden dat het Engels de taal is die in de westerse wereld het meest gesproken en onderwezen wordt. Ik spreek zelf een aardig mondje Frans en ook in het Duits kan ik me uitstekend redden. Ik vind het ook belangrijk dat een stevige groep hogeropgeleiden deze talen met alle grammaticale ellende van dien onderwezen krijgt. Al was het maar om tegemoet te komen aan de klacht van Tj. Willink, dat wij lijden onder een „vervagend besef” van onze eigen staatsrechtelijke tradities die hij toeschrijft aan ons “gebrek aan talenkennis”.
Maar het wordt wel tijd dat we afscheid nemen van het idee dat iemand die het Frans niet beheerst, intellectueel niet voor vol mag worden aangezien. Laten we de zaken niet omdraaien. Ik kom voor mijn werk zeer regelmatig in Frankrijk. Wie mij de namen van tien gestudeerde Fransen kan geven die je in enige andere dan hun eigen taal kunnen uitleggen hoe je een brood bakt, krijgt van mij een zak croissantjes. Duitsers doen het iets beter. De meeste Duitsers hebben ergens in de afgelopen tien jaar geleerd hoe je iemand in het Engels uitlegt waar de boter bij de Aldi staat. En voor beide landen geldt: als je er niet uitkomt, heb je als Nederlander altijd nog voldoende basisvocabulaire door je strot gedouwd gekregen om de stotterende culturele giganten een beetje op weg te helpen.
En dan nog dit:
‘Maar ja, ik ben geen Huizinga, die, blijkens zijn correspondentie, even gemakkelijk in het Duits als in het Engels en Frans aan zijn collega’s schreef, terwijl hij toch maar vier maanden aan één buitenlandse universiteit, die in Leipzig, had gestudeerd.’ (Heldring).
Dat is, moeten we toegeven, deksels knap van die Huizinga. Toch lijkt de onderliggende suggestie, dat zij, de mannen van de oude taalstempel, hun talen allen voortreffelijk beheersten mij van de flauwekullerige. Behoudens mannen als Kousbroek, Campert, Tj. Willink en Vinkenoog die allemaal in Parijs gewoond, gewerkt en/of gestudeerd hebben, kom je zo goed als nooit iemand tegen die – Schwere Wörter, Vocabulaire essentiel, Grammaire pour tous ondanks – het Frans of Duits spectaculair veel beter beheerst dan wij, na-mammoetse sukkels. Wat er gebeurt als een van die culturele zwaargewichten zich in een internationaal gezelschap in het Engels moet uitdrukken, weten we allemaal; die hilarische mop over Ruud Lubbers komt niet uit de lucht vallen: ‘I fuck horses / Pardon? / Ja, paarden!’ A chacun son hobby, maar mij lijkt het vooralsnog verstandiger om in te zetten op gedegen onderwijs in de taal van het perfide Albion. Wie Frans, Chinees, Russisch, Zweeds of Swahili wil leren kan daarvoor bij 2000 cursusinstellingen in heel het land terecht.

