Cup-a-soup

woordsoep in een kommetje


kitesurfreisje

in het kader van ‘de week van de verbijstering’ een paar citaten uit een bekend landelijk ochtendblad met een katholieke achtergrond:

‘Ik had net een opdracht bij ING afgerond en dacht: ik heb hard gewerkt en ga nu op vakantie.’ Maar toen zij en haar dochter terugkwamen van hun kitesurfreisje naar Bonaire, was er nog steeds geen zicht op werk. Een rondreis in een Landrover door Zuid-Afrika, Botswana en Zambia volgde. ‘En toen dacht ik: in de zomer komen er sowieso geen opdrachten binnen. Dus laat ik er maar het beste van maken. Ik hou erg van reizen, dus we zijn nog naar New York, Marokko, Spanje en Portugal geweest.’

Het stuk eindigt met: ‘Je hoeft geen medelijden met me te hebben, hoor. Ik red me wel, desnoods verkoop ik mijn motor.’ Eerder in het stuk heeft ze de spaarrekening van haar 6-jarige dochter geplunderd (’Maar ik betaal haar terug met rente’).

‘Uiteindelijk heb ik in 2009 geen oester minder gegeten. Ik koop ze nu alleen in de viswinkel.’

Nou kun je zeggen: wat dapper dat ze dat allemaal in de krant durft te vertellen, die ‘Amsterdamse blondine’ (42). Maar bewondering is niet de eerste emotie die zich aandient. Het is natuurlijk al heel griezelig dat alleen de afgrond van een bijna-failliet de Amsterdamse blondine tot reflectie over haar hersenloze consumptiedrift kan bewegen ‘Ik ben me bewuster geworden van de waarde van geld. Dat is een goede les.‘ Maar nog veel griezeliger en tijdgeestiger wordt het waar ze zegt: ‘Maar het zal nog wel even duren voordat ik op het oude niveau zit.’

Nobody ever learns anything. Ik moet even naar buiten. Ademhalen. Aan leuke dingen denken. En even langs de bibliotheek voor een portret van Calvijn. Dat ga ik kopiëren en boven mijn werktafel hangen. En daarna ga ik kitesurfen, want ik heb ook recht op een beetje plezier.

Published by admin, on February 26th, 2010 at 10:43 am. Filled under: Uncategorized1 Comment

nalatenschap

pleerolIedereen die weleens een moppie schrijft, zal ooit met de gedachte hebben gespeeld: wat als mijn meesterwerk na mijn dood uit de la wordt gehaald en alsnog  zijn weg naar de uitgever vindt? Alle schrijvers (er zijn geen uitzonderingen) zijn ijdeltuiten. Als je denkt dat er tegen een achtergrond van drie Chinese muren vol boeken nog iemand zit te wachten op jouw gefröbel in de marge, dan is bescheidenheid niet je meest in het oog springende karaktereigenschap. Punt. Maar ik denk wel dat er schrijvers zijn die geen roem voorbij het graf nastreven. Waarom zouden ze ook? Niemand kan ze meer lof toezwaaien of hun werk onder de zoden moffelen. Nou ja, het kan wel, maar de schrijver neemt het allemaal niet meer waar. Toch is de gedachte dat iemand na je dood in jouw spullen graait onverdraaglijk. Een van de kenmerken van ijdelheid is de neiging de regie in handen te willen houden. De spiegel bij de kapper is er niet voor de kapper, maar voor de bezorgde klant die elke beweging van de barbier nauwgezet wil volgen. Als je doodgaat, geef je de sleutel van je schrijfla uit handen. Een verstandig mens ruimt zijn laatje bijtijds leeg. Zo voorkom je dat een in een vlaag van (liefdes)verdriet geschreven draak alsnog ingelijst of (nog erger) als nagelaten gedicht in een verzamelbundel verschijnt. Breek jij daar nou je mooie soepkoppie niet over, Maggi, denkt u. En terecht. De kans dat de duister-romantische verzen die ik op mijn 22ste schreef (’hij kon de dood niet langer vrezen’) het eerste rondje papierbak overleven is verwaarloosbaar. Maar de kans dat dagboekaantekeningen en brieven in handen raken van de verkeerde persoon, die er spartelend van het lachen mee aan de haal gaat, is toch onverteerbaar. Je goede naam gaat anderhalve generatie mee. Er zijn dingen die je je kleinkinderen wilt besparen. Wat hun kinderen van je vinden doet er niet zoveel meer toe. Maar ik zou het (superbia!) leuk vinden als mijn kleinkinderen over mij zouden zeggen, wat mijn huisgenoot T. over zijn grootvader zei: ‘een wonderlijke figuur. Hij heeft zelfs een boek geschreven.’ Leuker dan: ‘een eersteklas mafkees. Toen-ie doodging hebben ze in zijn bureaula een onleesbare homo-erotische roman in brieven gevonden, gericht aan de kroonprins van Denemarken. Hier moet je kijken, kun je lachen!’ Die roman - voor alle duidelijkheid - bestaat niet. De waarheid is misschien nog wel erger. Maar daar komt niemand ooit achter. Ik heb schoon schip gemaakt. Mijn jeugdwerk komt u hooguit nog tegen als de anonieme lettertjes die je soms ziet op goedkoop gerecycled wc-papier. Een troostrijke gedachte dat je zo met je nagelaten werk toch nog iemand een plezier kunt doen.

Published by admin, on February 19th, 2010 at 10:04 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

letter-to-the-editor-madman

Ik zal u mijn teleurstelling niet verhelen: ik ben een letter-to-the-editor-madman (ph. Roth), die veel boze brieven schrijft, die hij uiteindelijk niet verstuurt. De onderstaande had ik wel aangeboden aan de forumpagina van de Volkskrant. Ze wilden hem niet hebben. En dan doe je maar wat elke gek met een internetverbinding doet: je zet hem op je eigen website.

Hell, brought to you by X-Box

In Het Vervolg (6 februari) probeert Peter Van Ammelrooy een paar misverstanden over gamen uit de wereld te helpen. Een dapper gebaar, ter verdediging van al diegenen wier favoriete tijdverdrijf dagelijks het mikpunt is van spelbrekers die in de Wii, playstation en X-box het zoveelste werktuig van de duivel zien. Van Ammelrooy probeert met zijn stuk de ongeruste ouders van potentieel gameverslaafde jongeren gerust te stellen. Ik ben zo’n ongeruste ouder en hoe graag ik me ook zou laten opbeuren, mij overtuigt hij met dit artikel niet.

De uitdagende kop boven het stuk zet meteen de toon: ‘Nee moeder, ze worden er heus niet agressief van’. Dat doet denken aan de reclame van Peijnenburg, waarin een opgewekte stem herhaaldelijk roept: ‘nee, nee, er zit geen vet in ontbijtkoek.’ Dat kan kloppen. Maar er zit wel suiker in, veel suiker. En daar worden moeders lievelingetjes ook vet van. Van Ammelrooy lijkt zijn stuk naar Peijnenburgs recept te hebben geschreven: ontken de negatieve aspecten die eenvoudig te ontkennen zijn, en verzwijg de andere. De minpunten die hij wel aanroert (1. verslaving, 2. gezondheidsproblemen, 3. verlies aan sociale contacten, 4.gebrekkige intellectuele ontwikkeling, 5. gewelddadige inhoud en 6. navolging van het geweld, 7.schade aan de kinderziel, 8. sponsoring door de wapenindustrie 9. gebrek aan artistieke inhoud) ondergraaft hij met argumenten die op z’n zachtst gezegd niet helemaal zuiver zijn. ‘Cheaten’ heet dat in gamers-jargon. Ik noem drie voorbeelden:

- De kwestie rond de kwalijke effecten van gamen op de lichamelijke gezondheid hangt hij volledig op aan de vaststelling dat de ‘Engelse ziekte’ weer de kop op steekt. Dat blijkt, zo laat hij overtuigend zien, nogal mee te vallen. Over overgewicht, (4-5% van de Nederlandse jongeren lijdt aan obesitas, in de afgelopen 10 jaar is hun aantal verdubbeld) heeft hij het niet. Prof. dr. Hollander van de faculteit bewegingswetenschappen van de VU vatte dat probleem in een interview in 2005 kernachtig samen: ‘ze eten te veel en ze bewegen te weinig’. Zelfs met het veelgeprezen Wii-sports moet je nog flink doorboksen om je ontbijtkoekje te verbranden.

- De passage over het gebrek aan artistieke inhoud wordt uit hetzelfde deeg gekneed. Hij geeft drie voorbeelden van games die hij rekent tot de ‘hogere’ cultuuruitingen.

(1). Shigeru Miyamoto kreeg voor Donkey Kong en Super Mario een lintje en werd zo lid van de ‘Ordre des Arts et de Lettres’.

(2) Er is een game dat Dante’s inferno heet, ‘gebaseerd op het epos van Dante Alighieri’ (‘very loosely based,’) en

(3) in Engeland wordt zelfs mogelijk een ringweg vernoemd naar Lara Croft ‘onbetwist een internationaal cultureel fenomeen’. (Dat laatste kan ook gezegd worden van de vogeltjesdans, maar dat terzijde).

Geen kwaad woord over Donkey Kong. Maar als dit de hogere cultuuruitingen zijn waar de gamewereld sinds Pong (1972) en Pacman (1980) aanspraak op maakt, dan ben ik niet onder de indruk.

- Een derde en laatste voorbeeld van selectief waarnemen vinden we in de redenering ‘Games waarin je de slag om Waterloo nabootst of als burgemeester een stad bestiert (SimCity) scherpen het tactische en strategisch inzicht. Schaken is toch ook een spel?’

Zeker. Pim-pam-petten ook. Maar afgezien van de vraag hoeveel van onze jongeren een stad bestieren of Waterloo naspelen (ze zullen er zijn, ik ken ze niet) en zonder in te gaan op de vraag hoeveel strategen en tactici ons landje nodig heeft, moeten we vaststellen dat het zichtbare deel van de gamende natie heel andere veldslagen speelt. Van Ammelrooy noemt ‘Grand theft auto’ als gewelddadig spel en citeert uit een ‘top twintig van meest verkochte games’. In die top 20 zou GTA met een veertiende plaats het eerste spel met een gewelddadige inhoud zijn. Ik heb dat lijstje niet kunnen vinden. Maar na wat gegoogle kwam ik wel een heleboel andere lijstjes tegen, waarop de fantasierijke namen van andere games in de top 10 voorkomen. Ik noem er een paar: Modern warfare, Assassins Greed, God of War, Smackdown. Zonder uitzondering games waarin geweld met veel ziek genoegen voor detail een hoofdrol speelt. Een 14-jarig familielid liet me een jaar of wat geleden kennis maken met de hogere cultuuruitingen uit ‘Grand theft auto’ met de mededeling: ‘moet je kijken! Hij is al dood, maar als je op het lijk blijft schieten, gaat hij helemaal spastisch liggen trillen.’ Ik zag het. Dat brengt me op een punt dat Van Ammelrooy helaas laat liggen. Beschaving. Of je perse blij moet zijn met een kind dat ‘De olijke tweeling op kostschool’ leest, weet ik niet. Maar een kind dat (groep 3, bijna zeven, waar gebeurd)  in het kringgesprek over toekomstdromen meldt dat het later ‘sniper’ wil worden, groeit mijns inziens wel op in een heel rare wereld. ‘Je houdt het toch niet tegen,’ zei de moeder van de 14-jarige. Ik ben bang dat ze gelijk heeft. Je kunt moeilijk op tegen de miljarden die de game-industrie besteedt aan gelikte trailers. Bovendien: er zijn inderdaad leuke, onschuldige ja zelfs educatieve spellen te koop. Als journalist heb je de luxe dat je de zaak van meerdere kanten kunt laten zien. Het is jammer dat Van Ammelrooy dat level heeft overgeslagen. De boodschap die uit zijn dappere poging tot relativering opklinkt, zal voor veel ouders aanleiding zijn om te blijven volhouden dat het wel meevalt. Stond in de krant. Ondertussen weet de auteur natuurlijk ook wel dat de PEGI-keuring een wassen neus is. Dat zelfs het kinderlijke New Super Mario Bros het niet zonder duivelse symboliek kan stellen, dat je zelfs in dit voor alle leeftijden geschikt geachte spel je doel alleen kunt bereiken als je onderweg een paar duizend schildpadden doodtrapt, niet in een bak gloeiende lava valt, of aan de scherpe punten van hororachtige stormrammen weet te ontkomen. Uiteindelijk kleeft aan alle spellen waarin de leeftijdgenoten van mijn kinderen geïnteresseerd zijn een nare geur van leedvermaak. Ik heb nog nooit meegemaakt dat een groep kinderen zo sterk de behoefte voelde om te lezen dat de pannenkoeken en de taart terzijde werden geschoven om snel in ‘Pinkeltje en de ijsheks’ te duiken. Wel heb ik al twee kinderfeesten meegemaakt waar kinderen al dan niet clandestien naar hun meegebrachte DS grepen. Dankzij Van Ammelrooy weten we nu dat dat geen a-sociaal gedrag is, maar interactiviteit ‘oneindig veel socialer dan gewone televisie’. Laten we ‘Nee moeder’ aangrijpen om eens serieus na te gaan denken over de beweegredenen achter onze gametolerantie. En over de vraag of we Dante echt op deze manier aan onze kinderen willen overbrengen. Brought to you by Xbox.

Published by admin, on February 16th, 2010 at 12:40 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

Impasse

Ik weet heel goed waar dit gedicht over gaat. Hoewel bij ons voor de ramen ’s zomers de bruidsluier (Gypsophila paniculata) woekert. En wij een senseo-apparaat hebben, dat zelfs voor mannen eenvoudig te bedienen valt.  Ik zou mijn vrouw nooit vragen waarover zij wil dat ik schrijf en ik geloof ook niet dat Martinus Nijhoff dat ooit heeft gedaan. Sterker nog: dat vind ik raar. Als mevrouw Maggi een brandende kwestie heeft, dan schrijft ze het maar lekker zelf op. Misschien dat ze het leuk zou vinden als ik mijn liefde voor haar eens in een lange brief, met veel verwijzingen naar de mooie jaren die achter ons liggen, zou verwoorden. Als ik dat dan maar niet rond Valentijnsdag doe, want wij Maggi’s zijn niet zo van de door Jamin, Hema en Blokker in het leven geroepen tradities. Bovendien: als je een liefdesbrief schrijft op verzoek, dan doe je iets verkeerd. Spontaniteit mag dan een overschatte eigenschap zijn, in de liefde kun je moeilijk zonder. Als we voorbij een bloemenwinkel lopen, kan ik het nooit nalaten te vragen: ‘moet je bloemen?’ De vraag stellen is hem beantwoorden.

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Een glycine is een blauweregenstruik. Veel van Nijhoffs klassiekers vind ik prachtig. Aan ‘Tuinfeest’ en ‘De wolken’ heb ik in mijn leven al veel troost gehad.  Over dit gedicht heb ik wel wat te mopperen. Ik heb stoom uit een fluitketel nooit opwaarts zien ’schieten’. Rijmdwang. Het overmatige gebruik van het tegenwoordig deelwoord (ziend, hebbend, zich hullend, druppelend) verdient ook geen schoonheidsprijs (is ook geen schoonheidsprijs verdienende eigenschap van dit gedicht). Maar het scheppen van een tekst uit het ontbreken van een onderwerp om over te schrijven is een aardige vondst. Al zeg ik het zelf.

Published by admin, on February 11th, 2010 at 11:50 am. Filled under: Uncategorized1 Comment

‘de eigentijdse hogere literatuur’

Ik heb een mening over het werk van Heleen van Royen. Dat mag, want ik heb een boek van haar gelezen. Een oud boek alweer: de gelukkige huisvrouw. Mijn mening is niet verrassend: ik vond het vaardig geschreven, maar het drong Tsjechov, Thomas Mann en Raymond Carver niet uit mijn toptien. Voor veel literaire tijdgenoten is Heleen geen schrijfster, maar een fenomeen. (Zeg hardop: ‘Heleen is een fenomeen’.)  Het maakt niet uit of je iets van haar hebt gelezen. Ze is de boksbal geworden van mannetjes met ingewikkelde brillen die vinden dat het woord ‘literatuur’ zijn betekenis heeft verloren. Ik ben het met die mannetjes eens. Als je op een bakje met bio-industrieel varken een sticker plakt met ‘ecovlees’ wordt het varken daar met terugwerkende kracht geen blij varken van. Als je een vrolijk pornografisch niemendalletje een buikbandje voorziet met de tekst ‘literaire sensatie’ brengt dat de auteur niet eensklaps op dezelfde hoogte als JD Salinger. Met betrekking tot de gehaktballetjes van slagerij Van Royen (en de kadetten van de aanpalende bakkerij Kluun) lijkt het omgekeerde te gebeuren. We weten het niet, want de keuringsdienst is nog niet langsgeweest. Hangende het onderzoek plakken de mannetjes met ingewikkelde brillen er maar vast een fluorescerend plaatje op met de waarschuwing dat de balletjes en de kadetten van Van Royen en Kluun de literaire warenwet overtreden. Ik word daar altijd wat bokkig van. Vooral als het dédain uit de hoek komt van mensen die zelf geen deuk in een pakje literaire boter slaan. Maar ook de honorabele Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse Letterkunde, die het trouwens voor Van Royen opneemt, mag op mijn warme irritatie rekenen. Joosten schrijft over Van Royens jongste, ‘de mannentester’: ‘Van Royen geeft in een fraaie, snelle stijl, in allerlei terzijdes en types rake cynische commentaren op, bij voorbeeld, hypes en quasi-engagement in het hedendaagse Nederland. Zo is dit een veel totaler boek, met meer eigentijdse relevantie, dan veel ander werk dat momenteel verschijnt.‘ Een nietszeggend copy-paste oordeel. Verwijder de auteursnaam en de titel en je kunt er als criticus weer een decennium tegenaan. Op http://www.heleenvanroyen.nl/pdf/vanroyen.pdf kunt u zien hoe Joosten aan de hand van zulke argumenten (vingers omhoog wie dit jaar nog graag een paar ‘totale boeken’  wil lezen of wie een schrijver graag in allerlei types rake cynische commentaren wil zien geven) tot dit oordeel komt ‘Maar als op dit moment totaal smaak- en visieloos knutselwerk als Dimitr Verhulsts Godverdomse dagen of bombastische edelkitsch als Enquists Contrapunt door de smaakmakers probleemloos tot de eigentijdse hogere literatuur worden gerekend, dan is er geen enkele reden om Van Royens De mannentester niet serieus te nemen.

Van Royen reageert op haar website - zoals te verwachten - met een raak en cynisch bedoeld commentaar. Ze noemt Joosten ‘ome Jos’ (cynisch!) en schrijft (raak!) ‘dat dit een van de STOUTSTE dingen is die ome Jos ooit heeft gedaan. Zij weet hoe zwaar en griezelig het is om tegen de stroom in te zwemmen. Ze vraagt zich af hoe ome Jos zich nu voelt, of hij al een reddingsboei nodig heeft, en laat weten dat ze niet te beroerd zal zijn hem uit het water te vissen als hij de overkant niet haalt. Of ome Jos nou “goed” is of “fout” maakt haar niet uit: Heleen redt iedereen.’

Wij, de vleugellamme ‘readers who just read and run’ kijken er met open mond naar. Joosten die tegen de stroom in de overkant probeert te bereiken (niet zelf proberen, dat kan alleen een hoogleraar) en mannentester Heleen die hem een reddingsboei toewerpt. Een vermakelijk spektakel dat niets meer met literatuur te maken heeft. Doorheen die dikke lagen zelfpromotie aan weerszijden van het beekje, ziet niemand het water meer. We zijn op onszelf aangewezen. Lezen. Er zit niks anders op.

Published by admin, on February 4th, 2010 at 5:44 pm. Filled under: Uncategorized5 Comments

Toekomstdromen (24)

Op de Koninginnedagmarkt lag de jeugd van zijn kinderen over twee kleden verspreid. Scoop. Muck en Dizzy en Rolly ook. Anders dan hij verwachtte, deden ze er niet moeilijk over. Niet alles kon mee naar Canada, dat begrepen zij ook wel. Hij probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn als ze het huis niet hadden verkocht. Dan zou de kist met autootjes pas in 2035 van zolder zijn gekomen. Dan zouden ze de plastic wagentjes nog een keer vertederd door hun handen laten gaan en zou hij tegen zijn kleinkind zeggen: ‘kijk, daar speelde je vader vroeger mee.’ En hij zou voordoen hoe de grijper van de shovel op en neer ging tijdens het rijden. Hij nam de vervilte Pikachu in zijn handen en verzonk in gepeins. Zijn vrouw kwam naast hem staan en legde een hand op zijn onderrug. ‘Denk maar aan de schone lucht daar,’ zei ze begripvol, ‘volgende winter gaan ze met de hondenslee naar school’. Hij probeerde het zich voor te stellen. De eindeloze wouden, de bergmeren, het grote houten huis met de brede veranda. De winters die nog winter waren, de beken vol zalm, de jongens in hun eigen kano. Een jongetje in een oranje t-shirt deed een bod op een stapel Pinkeltjes. Vijf stuks voor drie euro. ‘Dat is een vergissing,’ mompelde hij, ‘die zijn niet te koop’.

Published by admin, on February 1st, 2010 at 10:09 am. Filled under: Uncategorized, toekomstdromenNo Comments