Cup-a-soup

woordsoep in een kommetje


verbalitis

Er wordt gediscussieerd over het afschaffen van de proefvertalingen Grieks en Latijn op de categorale gymnasia. Aleid Truijens, die wat mij betreft altijd gelijk heeft, ook als ik het op voorhand met haar oneens was, schrijft daarover: ‘Een gymnasium zou geen vesting voor de elite of wannabe-elite moeten zijn, maar de plaats waar de slimste, begaafdste en gretigste leerlingen uit alle milieus aan hun trekken komen. Dit plan verpest het voor hen. Een gymnasium–light zal niet minder wit worden, maar maakt het minder getalenteerde kinderen uit de elite nog makkelijker hun gerieflijke positie te behouden.’ (lees hier meer). In deze discussie dacht ik van de week terug aan een gesprek dat ik daar jaren geleden over had. Mijn opponent zei: ‘er zijn nu wel veel meer mensen dan ooit die ergens iets vanaf weten’. Soms slaat een argument je met stomheid. Je voelt dat het niet deugt, maar anders dan je tegenstander krijg je jouw opvattingen zo vlot niet geformuleerd. Dat is een ziekte van deze tijd. Verbalitis. Zoals David Byrne het zo prachtig formuleert in psycho killer: ‘you’re talking a lot, but you’re not saying anything’. Wat mijn opponent - na enig nadenken - had moeten zeggen was: ‘er zijn nu wel veel meer mensen dan ooit die beschikken over het vermogen om eindeloos te drammen over dingen die van geen enkel belang zijn.’ Naar mijn bescheiden opvatting is het socialistische ideaal van de volksverheffing omgekeerd in de nachtmerrie van de lullocratie. Er is helemaal geen behoefte aan 16 miljoen mensen met academische competenties. Nog los van het feit dat ‘academisch’ niks meer betekent als het werkelijk voor iedereen bereikbaar is. We zijn terechtgekomen in een sovjetwerkelijkheid waarin iedereen zijn borst vol blikken medailles speldt en van iedereen verwacht met de bijbehorende egards te worden behandeld. Omdat de werkelijk zwakbegaafden ook dol (nog doller misschien) zijn op medailles, is een industrie in het leven geroepen die extra onderscheidingen bijdrukt in de vorm van syndromen met prachtige namen. Wie niet kan rekenen lijdt aan dyscalculie. Wie niet mee kan komen met lezen is dyslectisch. Een jochie dat liever met een hamer op een stuk ijzer slaat, dan in de groep te vertellen wat de beelden van Haiti met hem doen, is een ADHD-er. Een kind dat niet leuk meedoet in de poppenhoek lijdt aan een ‘non verbal learning disorder.’ Geen nood, want op vertoon van hun d-speldje mogen ze allemaal naar iemand die ervoor heeft doorgeleerd en die geeft gratis doucumenten uit waarin de wanprestaties in deftige wetenschappelijke taal worden verklaard. Ondertussen drupt de kraan in de keuken van de Maggi’s gewoon door. Maggi zelf, die gezien zijn afkomst voorbestemd was loodgieter te worden, doet er niks aan. Daar is-ie niet voor opgeleid. Hij is wel blij met het stukkie blik dat hem in staat stelde zijn talenten te ontplooien. En in alle eerlijkheid: zo richt hij ook veel minder schade aan. Er is geen groot pijplegger aan hem verloren gegaan. Maar zonder mammoetwet zou hij nu waarschijnlijk met volle fietstassen andermans koude brievenbussen vol staan proppen. Daar zou hij de socialistische heilstaat die hem in 1980 nog zo scherp voor ogen stond een groter plezier mee doen.  Brrr. denkt meneer Maggi en staat - net als zijn hogeropgeleide soortgenoten - nog eens op om koffie te halen en vraagt zich tegelijk met al die 16 miljoen andere genieën af: waar blijven die verdomde loodgieter, postbode en straatveger nou?

Published by admin, on January 26th, 2010 at 10:35 am. Filled under: Uncategorized2 Comments

Maandag

Ik laat het vandaag maar eens bij een droge opsomming van de juwelen uit Mirza:

> ‘Door de eeuwen heen is de traditie tot stand gekomen om getroffenen te helpen.’

> ‘Zij die dood zijn, zijn dood, zij die overleefden, vele sterke Haïtianen, moeten verder’

> ‘Helaas - of gelukkig - biedt een aardbeving nieuwe kansen; nieuwe wegen, nieuwe huizen, nieuwe geliefden en nieuwe samenstellingen van gezinnen.’

> ‘Inmiddels hebben 94 Haïtiaanse kinderen in een klap nieuwe Nederlandse ouders gekregen. Een aantal  van hen hebben we mogen bewonderen toen ze gehuld in dekens in de armen van hulpverleners uit het vliegtuig kwamen. Ze keken met hun donkere, levendige ogen verbaasd om zich heen naar die kou en de regen, mooier kon niet.’

> ‘Wonderbaarlijk dat vanavond deze nieuwe moeders Nederlandse verhaaltjes voor hun kinderen voorlezen. Lees hun dus zacht, maar overtuigend voor:

‘Jip zit bij de kapper.

Knip, knap, zegt de schaar.

En Jip zegt: Au!

Ik doe je geen pijn, zegt de kapper. Ben je nou een grote jongen? Je huilt al voor je geslagen wordt.

Knip, knap, knip, knip, knap doet de schaar.’

Een nieuw geluid, een nieuw begin.’

Daaronder de uit de tekst gelichte streamer ‘Omarm de kinderen die de natuur julie geschonken heeft’.

Hier past, denkt meneer Maggi, een verbijsterd stilzwijgen.

Published by admin, on January 25th, 2010 at 10:50 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Het k-woord

210120101351Ik ging zwemmen met mijn zoontje en zag vanuit mijn ooghoek dit affiche. Mijn aandacht had het. Meteen. Het is een sterk signaalwoord. Weinig woorden hebben zo’n huiveringwekkende alarmfunctie als het k-woord. Een dag ervoor heeft hetzelfde zoontje met een vriendje gesurft op een site die zijn populariteit dankt aan een  ander k-woord. Ik spreek zijn moeder eropaan. Vrolijk, want jongens zijn jongens. En hoewel je liever niet hebt dat ze al op deze leeftijd (ze zijn bijna negen) de horror van internetporno ontdekken, bleef het op de site waar ze terecht waren gekomen bij onschuldige taalgrapjes. ‘Maar goed, je wil liever niet dat ze het k-woord gebruiken,’ zeg ik tegen de moeder. Die moeder draagt een hoofddoekje. Niet vanwege haar religieuze overtuiging. Ze kijkt me niet begrijpend aan. Voor haar betekent het wat anders. Kut! denk ik. Een dag later zie ik het k-woord in een vitrine bij het zwembad. De boodschap is me heel diep uit het hart gegrepen. Ik stoor me al tijden aan het onachtzame gebruik van het woord. Kanker. There I said it. Ik ben nooit zo’n liefhebber van verhullend taalgebruik geweest. Maar ik begrijp ineens waar het goed voor is. Als je het verschrikkelijke hardop uitspreekt, wordt het alledaags. En als het alledaags wordt, verliest het zijn alarmfunctie. Dan begrijpen straatschoffies - zoals de Hyves-’vrienden’ van mijn buurjongetje S. niet meer dat het geen woorden zijn voor lollige over en weertjes. Het is goed dat er eufemismen zijn. En goed dat er moraalridders zijn die de onverschilligheid van sommige taalgebruikers aan de orde stellen, ook al heb je zelf niet altijd zin om die rol te spelen. Richelle Laurijsen (1992 - 2009) doet via http://www.kankerverziektjetaal.nl/een dappere poging om de in onze taal geslopen botheid uit te bannen. Als er een Maggi taalprijs zou bestaan, zou zij hem van me krijgen.

Published by admin, on January 21st, 2010 at 9:16 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

poëtische inspraak

Ik ben mannelijk lid van een clubje bezorgde ouders. Zo’n clubje gaat in de wandelgangen al snel een ‘commissie’ heten. Ik kan dus ook zeggen: ik zit in een commissie. Tijd om een dure aktentas te kopen en met een voorname kop door de straten in de buurt te paraderen. Dat je de mensen achter je rug hoort fluisteren: ‘die zit in een commissie, dat zie je zo’). Een lange zwarte jas, een hoed en een zwierige, mogelijk zelfs rode sjaal, een designbril… een wereld van heerlijke mogelijkheden. Maar met het oog op de raadsvergadering van morgen neemt de somberheid toch weer bezit van me. De taal. De uitgewrongen droge kaastaal van de hoger opgeleide die zijn deftige zegje doet. Iets akeligers is er niet. Dacht ik. Ik had beter moeten weten. Poëzie is overal, zelfs in de agenda van raadsvergadering. In dit geval in de vorm van inspraak (o dat woord!). Een buurtbewoner heeft tijdens een inspraakavond gezegd:

‘tussen de gevels kan het geluid moeilijk weg’

Wie het gezegd heeft, staat er niet bij. Maar ik ga er op aandringen dat deze zin in steen gebeiteld wordt. Een monument voor de vergeten schoonheid van de democratie.

Published by admin, on January 18th, 2010 at 10:07 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

het nieuwe rekenen

pizzaIk hoorde bepaald niet bij de besten van de klas als het op rekenen aankwam. Maar als ik op zaterdagavond (mevrouw Maggi vertoeft elders) voor drie personen twee pizza’s moet aansnijden, weet ik met dank aan meneer Matern en meneer Knoeff wel hoe dat moet. De werkelijkheid is natuurlijk ingewikkelder. Papa Maggi krijgt de 4 stagioni, de jongens Maggi delen een Margarita, maar mogen wel alles wat de 4 stagioni eetbaar maakt van hun vaders pizza halen. In de Volkskrant is een discussie losgebarsten over de vraag hoe je drie pannenkoeken met z’n achten verdeelt. Een briefschrijver schreef zaterdag, dat zijn nieuw rekenende nichtje moeite had met deze som. 3 pannenkoeken. 8 personen. Zou je daar inmiddels al op kunnen afstuderen? Greetje Strooplepel gaat sinds 20 december als drs. Strooplepel door het leven, omdat ze in haar paper ‘Naar een rechtvaardiger verdeling van een Hollandse klassieker’ aantoonde dat de klassieke oplossingsmethodieken geen recht doen aan de meerkantige en gecompliceerde realiteit van het Nederland anno 2010. Oudere Nederlanders weten dan misschien wel hoe ze deze som moeten oplossen, maar ze begrijpen niet hoe ze tot die oplossing komen. Een onwenselijke situatie, vindt drs. Strooplepel. Ze pleit voor een realistischer aanpak en schrijft in haar aanbevelingen onder andere ‘Het zou het rekenkundig begrip van de leerling ten goede komen als de docent in voorbereiding op de meer abstracte vormen van rekenonderwijs de kinderen eerst eens laat ervaren wat een pannenkoek is.’ In de bijlage treft de lezer naast een recept voor pannenkoeken ook een lijst met winkels waar kindvriendelijk bestek wordt verkocht. De scriptiebegeleider is in zijn praatje bij de buluitreiking een en al lof. Dat de rekenvoorbeelden die de jonge doctoranda geeft allemaal naar een foute oplossing leidden, heeft hem er niet van weerhouden zijn studente voor te dragen voor een feestelijk ‘cum laude’. ‘Je moet het grote plaatje altijd in het oog houden,’ zegt hij.

De bezorgde briefschrijver in de zaterdagkrant heeft daar moeite mee. Hij vindt dat iemand met een HBO-diploma eigenlijk moet weten dat drie gedeeld door acht 3/8 is en geen 3/24ste. Leermoment, dacht ik toen ik zondagochtend zijn brief las. Ik leg de jonge Maggi’s (6 en 8 ) de vraag voor: als je drie margarita’s mag verdelen met z’n achten, hoeveel krijgt iedereen dan. Maggi jr. tekent drie pizza’s, verdeelt die elk in acht stukken en bedenkt dan hoeveel stukjes ieder van de acht aanwezigen krijgt. Zijn broertje (6) is sneller. ‘Drie’ roept hij. Er is hoop, denk ik opgelucht.

Vanochtend mengt Mark Jellinek uit Grolloo zich op de opiniepagina in de discussie met een verrassend nieuw antwoord: ‘Beide antwoorden zijn juist, maar onvolledig. Juiste en volledige antwoorden zijn: elk kind krijgt 3/8 van de oppervlakte van één pannenkoek en elk kind krijgt 3/24 van de oppervlakte van de drie pannenkoeken samen.‘ Als je even doordenkt, begrijp je wel wat hij bedoelt. Om 3 pannenkoeken te verdelen moet je ze inderdaad in 24 stukken delen. En tja, als je dat hebt gedaan en ze stuk voor stuk ronddeelt dan krijgt ieder kind drie van de 24 delen, ofwel 3/24ste = 1/8ste van de totale hoeveelheid pannenkoeken. Die moet je dan wel weer met 3 vermenigvuldigen om de vraag te beantwoorden hoeveel delen ieder kind van 1 pannenkoek krijgt. Het antwoord is dus: van de 24 stukjes krijgt ieder kind er drie. Die drie stukjes vormen tezamen 3/8 van 1 pannenkoek. Wat een omslachtige manier van rekenen! Vooral als je bedenkt dat je in abstractere berekeningen niet altijd een stapel pannenkoeken of pizza’s bij de hand hebt, om de proef op de som te nemen. Eenvoud is het kenmerk van het ware. Drie gedeeld door acht is 3/8. Dat kun je een onvolledig antwoord noemen, maar het brengt kinderen niet op zijwegen die van de oplossing afleiden. Je deelt de pannenkoek tenslotte met z’n achten, niet met z’n vierentwintigen.

Published by admin, on January 11th, 2010 at 2:47 pm. Filled under: Uncategorized1 Comment

Little children Ned. 2, 22.50 u.

Vrijdagochtend. Vroeg op dus alle tijd voor de cultuurbijlage. Het kan te maken hebben met dat laatste glas van gisteravond, maar het meningencircus valt me vanochtend zwaar op de maag. Het is goed dat er kritiek is. Als kunstenaar wil je - denk ik - graag weten of je er wat van hebt gebakken. Kranten en tijdschriften betalen critici voor hun scherpe blik en kennis van zaken. In een ideale wereld leidt dat tot betere kunst. Een criticus houdt het kunstwerk (film, roman, schilderij) tegen het licht, toetst het aan de bedoelingen van de kunstenaar, aan de tijdgeest, aan het niveau van de kunsten in het land van de maker, aan weet ik wat en schrijft op wat hij heeft waargenomen. Hij ontkomt er in diezelfde ideale wereld niet aan argumenten aan te voeren. Klotefilm, kolereboek, kutkunst alleen is niet genoeg. In de loop van de tijd leer je je critici kennen. Ik heb een handjevol recensenten die ik al lang genoeg volg om me niet te veel meer te bekommeren om hun argumentatie.  Het omgekeerde (nee ik noem geen namen) komt ook voor. Op de pagina met ‘tips’ voor films schrijft de aanbeveler van dienst over een film die ik heb gezien:  ’Regisseur Todd Field (In the bedroom) schetst een adequaat maar niet bijster origineel beeld van worstelende jonge ouders en probeert geforceerd spanning toe te voegen middels de komst van een pedofiel (een fantastische rol van Jackie Earle Haley, dat wel.) Het is allemaal net iets te vet, tot het bespottelijke einde waarmee de film helaas als een zeepbel uit elkaar spat.‘  Die film is ‘Little children’, een van de beste filmhuisfilms die ik ooit heb gezien. Het moment waarop ´de zeepbel uit elkaar spat´ is in mijn beleving de huiveringwekkende en tegelijk ontroerende consequentie van de sociale realiteit, waarin niet voor iedereen plaats blijkt te zijn. Niet origineel? Een pedoseksueel, die na een avondje uit naast een volwassen, voorzichtig optimistische, vrouw in haar auto masturbeert had ik nog niet eerder gezien. Beweren dat door het inzetten van die man geforceerd spanning wordt toegevoegd, is niet alleen in strijd met de (Eindhovense) actualiteit, maar ook net zo merkwaardig als beweren dat de komst van Ingrid Bergman in Casablanca op een geforceerde manier romantiek in de film beoogt te brengen. Little children gaat over de wetten en bezwaren die zich onvermijdelijk tussen droom en daad wurmen. Dat krijgt op een mooie en overtuigende manier gestalte in de persoon van de pedosueel. Todd Field dwingt je in een ongemakkelijk soort empathie tav deze pervert. Origineel, niet vet, geen zeepbel, erg spannend. Het maakt mij niet uit wie u gelooft. Maar ik hoop wel dat u met mij vindt, dat niemand wat heeft aan zulke grote oordelen als die zonder argumenten op de onwetende kijker worden afgevuurd. Rest nog de vraag waarom EM deze film als ‘tip’ op de tv-pagina zet. Wie het weet, mag het zeggen.

Published by admin, on January 8th, 2010 at 12:13 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

het geheim van de palingsound

Neem het de hoofdverpleger (Groenlo, 15 oktober 1977) eens kwalijk dat hij niet weet wie Nico Haak is. ‘Als ze me missen’ - Haaks laatste hit en niet eens een grote - stond in 1984 precies vier weken in de hitparade. Hoogste notering: een dertigste plaats. Altijd nog beter dan Foreigner dat met ‘I wanna know what love is’ een plaats lager is geëindigd in de jaarlijst. Van Haak werd daarna niets meer vernomen. En al zou ‘als ze me missen’ in het laatste jaar van de middelbare school (Lyceum Gelderland-Oost ‘Oost-West-Oost-Best yeah!’) een half jaar op één hebben gestaan, dan nog was de kans klein dat de hoofdverpleger zijn naam zou hebben onthouden. Hij houdt meer van experimentele muziek. Eigentijdse composities met een scherp randje. Étant donné van Duchamp, uitgevoerd door John Zorn. Daar heeft zijn achternichtje Renée Kortenes (Oudewater, 26 februari 1989) dan weer nooit van gehoord. Nog een maand en dan wordt ze 20. Ze gaat het groot vieren in een feestzaal in Utrecht, de stad waar ze sinds twee jaar een kamer huurt van een zwijgzame Volendammer met onwaarschijnlijk veel vastgoed in de Utrechtse binnenstad. Hij heet Smit van zijn achternaam – inderdaad familie, maar ver weg -. Deze Smit nu is net gescheiden van een pront wijfie dat hij op de Volendammer kermis had veroverd op een bleek kereltje uit Swifterbant dat speciaal naar Volendam gekomen was om bij Jan Keizer te informeren naar ‘het geheim van de palingsound’.

Published by admin, on January 5th, 2010 at 3:34 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

Oom Melnitz

Raphael Evers, rabbijn van het Nederlans Israëlitisch Kerkgenootschap en rector van het Nederlands Israëlitisch Seminarium, wil geen Duitsers bij de Dodenherdenking op 4 mei. Hij schrijft op de opniepagina van De Volkskrant ‘Wanneer de Nederlandse overheid Duitsers uitnodigt, wordt de indruk gewekt, dat het ‘allemaal niet zo erg was’ of dat het in ieder geval nu, 65 jaar nadien, ‘niet zo erg meer is’. Een vreemde redenering, vind ik. De aanwezigheid van de ambassadeur betekent volgens mij juist dat ook in Duitsland tot op het allerhoogste niveau de opvatting leeft dat het ‘wel heel erg was’. Het is begrijpelijk dat Evers ervoor pleit dat we rekening houden met de gevoelens van de overlevenden van de holocaust, hun kinderen en kleinkinderen. Maar er komt een moment, in 2010, 2045 of 2090, waarop de holocaust geschiedenis wordt. Zoals ook 1648, het jaar waarover Oom Melnitz vertelt in ‘Het lot van de familie Meijer’, het jaar van beestachtige moordpartijen door de Kozakken van Bogdan Chmielnicki. Oom Melnitz was erbij. Hij spookt bij zijn Joodse nazaten om ze te waarschuwen voor de haat die de Joden al eeuwen achtervolgt. Hij is een belangrijk personage, een boodschapper. Toch portretteert Lewinsky hem als een duistere schim op de achtergrond in een boek dat volgens mij vooral een (romantische) lofzang is op het leven. Freek de Jonge zei lang geleden: ‘als je nu nog tobt over Hitler, dan heeft hij de oorlog toch een beetje gewonnen.’ Ik zou zeggen: als je alleen Oom Melnitz uitnodigt bij de dodenherdenking, dan geef je Bogdan C. en zijn duistere helpers te veel eer. We moeten ons langzaamaan toch gaan afvragen voor wie we elk jaar weer onze rouwkransen leggen. Ik heb nog twee levende familieleden die de verschrikkingen aan den lijve hebben ondervonden. Beiden hebben inmiddels achterkleinkinderen. Het zou toch mooi zijn als die gewoon hand in hand met hun Duitse generatiegenoten mogen besluiten dat het anti-semitisme in onze contreien verworden is tot marginale folklore van een clubje diep-debielen. Misschien dat Oom Melnitz (’altijd als hij gestorven was, kwam hij weer terug’) dan eindelijk in vrede mag rusten. Het gevaar dat we vergeten wat er tussen 1933 en 1945 in Duitsland heeft plaatsgevonden lijkt me niet zo groot. De inwoners van een hele natie uitsluiten van herdenkingen op basis van hun nationaliteit wel. Ik geloof niet dat iemand er wat aan heeft als we doen of het organiseren van genocide een exclusief Duitse specialiteit is.

Published by admin, on January 4th, 2010 at 11:13 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Freek

Ik heb gekeken en een paar keer erg hard gelachen. ‘Grip op griep. Niet iedere taalvirtuoos gaat naar het toneel.’ Freek de Jonge is 65 geworden en probeert zijn kleinkinderen uit te leggen ‘wat opa ís’. ‘Opa is een heel vervelende status. Oma is lief, die hoeft verder ook niks te zijn. Maar opa. Wat doet opa? dat wilden ze weten. Wat doet opa, wat ís opa? Ik zeg: ga maar even zitten - de kinderen zijn vijf en drie - Ik zeg: ‘opa is een van de belangrijkste na-oorlogse cabaretiers. Opa heeft met zijn rode draad het cabaret in Nederland een totaal ander aanzien gegeven. Die kinderen zijn niet geïnteresseerd. Totaal geen concentratie. Mijn probleem is dat ik altijd te intelligent wil overkomen. Terwijl, als je in Nederland geliefd wil raken moet je zo dom mogelijk overkomen. Frans Bauer is een lichtend voorbeeld. Is al zes maanden bezig om van energiemaatschappij te ruilen. Zes maanden! (…) Uiteindelijk zijn we tot de conclusie gekomen: opa is een clown. Een clown! Daar was opa niet echt blij mee.’ Veel verderop,  na een terecht genadeloze karikatuur van de zorg in Nederland (’een van de fijnmazigste infrastructuren ter wereld)  wandelt een kliniclown de ziekenzaal van zijn geopereerde kleinkind binnen. ‘En die kliniclown doet iets… vanaf dat moment hoeven de kleinkinderen opa nooit meer te zien. Mooi terzijde: om een post traumatisch stress syndroom te voorkomen, trekt een stoet van zorgverleners voorbij die tezamen garant staan voor een pre-traumatisch stress syndroom.

De rode draad was ‘geduld’. Een spirituele boodschap uit een boekje dat Freek (ik mag Freek zeggen) naar eigen zeggen van Ramses Shaffy had gekregen. Mopperaars zullen zeggen: ‘gedateerd. Niks nieuws.’ Maar Freek haalt zulke mopperaars - waarschijnlijk onbedoeld - de wind uit de zeilen met een schitterende tirade over radio 1 en ‘ranking the news’. Zijn conclusie: ‘er is geen nieuws’. Ik denk zelf: iemand op een podium met een verhaal die de vette lach soms even durft te laten liggen voor ontroering en bespiegeling, dat moet voor veel jonge mensen toch een verademend nieuwtje zijn. http://player.omroep.nl/?aflID=10468626

Published by admin, on January 2nd, 2010 at 11:07 am. Filled under: Uncategorized2 Comments