Dagje Zuiderzeemuseum. Mijn zoontje D. (8) meldt ’s ochtends dat hij ‘dringend een ganzenveer nodig heeft’. Dat ter verklaring waarom hij naar het Zuiderzeemuseum wil. Als een van de twee laatste Nederlanders die de ZZ-ballade helemaal kan zingen (en niet slechts een gemompeld half refrein) wil ik elke dag wel naar het Zuiderzeemuseum. Ter voorbereiding neemt D. Dik Trom mee. ‘Het is goed,’ zegt hij, ‘om naar zo’n museum te gaan, want dan begrijp je de dingen van vroeger beter.’ (Krijgt hij wel genoeg zakgeld vraagt de ontroerde lezer zich met zijn vader af.) We moeten een strippenkaart. In de sigarenwinkel valt zijn oog op een boek met een hond op het voorplat. Die hond heeft een staaf dynamiet in zijn bek. D. steekt zijn verontwaardiging niet onder de stoelen. ‘Ga maar kijken of de tram eraan komt,’ zeg ik. ‘Een heel goed boek,’ zegt de man achter de kassa. ‘O ja,’ zeg ik. ‘Ja,’ zegt de man, ‘net als de boeken van Kluun en Tommy Wieringa’. ‘Kluun?’ vraagt een vrouw met Vlaamse tongval verschrikt, ‘dat hoop ik toch niet.’ Ik zucht. Wie wil laten zien dat hij niet van de straat is, hij geve af op Kluun. Ik heb 1 boek van Kluun gelezen: ‘Help ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt.’ Ik heb zelden zo hard om een boek gelachen. Dat vind ik wel wat waard. Misschien niet meteen de PC Hooftprijs, maar evenmin het gratuite gezeik van halvabeten die weglopen met het werk van Paolo Coelho. ‘Het laatste oudejaar van de mensheid’ heet het boek. Mijn zoon roept. De tram gaat.
In de trein leest D. verder in Dik Trom. Mooie observatie: ‘Kijk, soms zeggen ze ook gewoon ‘maar’ in plaats van ‘doch’. En later: ‘wat is gele koorts?’ En wat zijn bellefleurtjes? In het ZZ-museum betreden we de winkel in fopartikelen. Binnen staat een vader met zijn vrouw en dochter. ‘Wat een enge wenteltrap’ zegt de moeder. ‘Ja,’ zegt de vader, ‘zulke trappen hadden ze vroeger’. Later zien we het gezin terug bij de visrokerij. Het pientere dochtertje vraagt naar de functie van een klein sluisdeurtje. Kinderen tot een jaar of tien denken allemaal dat hun ouders bij Paulus Potter op school hebben gezeten en dat hun grootvaders met de trekschuit naar kantoor gingen. Op grond daarvan denken ze ook dat elke blijk van historische interesse van de zijde van hun ouders doorvoelde nostalgie is. De vader weet het niet. Maar hij bekijkt de zaak nader en komt tot de conclusie dat het iets is om water doorheen te laten stromen. ‘Zo ging dat vroeger,’ zegt hij weer.
Wij gaan naar de Oud-Hollandsche snoepwinkel. ‘Ik heb een vraag,’ zegt D. deftig, ‘wat zijn suikerballetjes?’ De verkoopster van Oud-Hollandsch snoep reageert bot. Ze wijst op het assortiment met een ‘that’s all folks’-gebaar. We kopen niettemin een kaneelstok, een wijnbal en een stuk zoethout. Zoethout is vies. Dat was ik vergeten.
Bij McDonalds in de Leidsestraat is het bord met medewerkers van de maand helemaal leeg. De manager, een kleine man met een clark gable-snor heeft moeite het schip drijvend te houden. De jongens achter de counter nemen een loopje met hem. Voor ons bestellen drie chinese jongens elk een Max menu. Een voor een. Als wij eindelijk aan de beurt zijn, begroet een vermoeide Hindoestaanse dame ons met een op suicidale toon uitgesproken ‘moment’. Als we onze bestelling hebben geplaatst, zegt ze het nog eens. ‘Moo–ment’. Op dezelfde vlakke toon. Ze moet vier keer terug om te zien of we werkelijk een blijde maaltijd en een Grote Mac, een flesje melk en een koffie hebben besteld. ‘Als je nog eens zo tegen me praat, Rachid, schrijf ik een rapport over je gedrag,’ zegt de manager. Of wij de maaltijd mee willen nemen, of hier opeten, vraagt de levensmoede nooit-medewerkster-van-de-maand. We gaan op een granieten bankje voor het American zitten. D. kijkt naar de fontein. ‘Daar heeft iemand een keer een fles shampoo in leeggeknepen,’ zegt hij tevreden. We lopen naar huis. Onderweg vinden we op de Overtoom zeker twintig A-4tjes waar iemand met de hand ‘we have to change’ op heeft geschreven. Meer niet. Een soort wanhoop waar ik heel vrolijk van word. Ganzenveren hadden ze niet in de museumwinkel. Wel vonden we langs de dijk in Enkhuizen drie slagpennen van een vermoedelijke zeemeeuw. Goed genoeg, denken wij.