toekomstdromen 18
Je gaf iemand een keer een knal voor z’n kanis, iemand die er nota benen nogal om had gevraagd, en het leek gedaan met je kansen op een verzoenlijk bestaan. Dan kon je met behoudsel van je uitkering nog op z’n hoogstens oppasser worden bij het pierenbadje. De plee schoonmaken waar gajes van vier overheen te zeiken stond, de ouders met d’r dikke melik d’r pats bovenop. En niks te blowen, anders had je die schijtmajoor van de reclassering op je nek. En van de ijsverkoop die ze oogluidend toestompten werd Teunes ook niet rijk. Ene grote pisbak van natte ellende was het. En voor wat? De troel die d’r maagdelijkheid hij op de eerlijke blote vuist had gedacht te bewaren, die hoer van twee uro-stuivers lag nu met d’r kut op de camping. Zestien maanden en nog geen SMS-je, geen persoonlijkheidje of op z’n minstens een slof peuken. Ze moesten niet denken dat hij nog es voor een wijf door het vuur zou gaan. Maar uit principe was-t-ie gek met kinderen. Teunes was er zo een die liever in z’n voor- dan in z’n achteruit keek. En bij de reclassering zagen ze zekers wel groeimogelijkheden. Een kinderdagverblijf, de spinazieacademie d’r achteraan. Ze moesten niet over z’n frisgedweilde vloer pissen, maar in de grond was-ie gek op dat kleine schorem. Plus dattie wist hoe je ze aan moest pakken. Hadtie van z’n moeder.

