Welkom lezers, bij deze tiende, laatste, en extra feestelijke aflevering van Maandag Kaderdag. Onze man in de krant heeft zijn goochelaarshoed op de kop gezet en doet om ons te plezieren nog een keer al zijn kunstjes. Kader is op het boekenbal geweest. Daar heeft hij iets heel ergs gedaan, maar daar komen we nog op. We beginnen met wat kleine amuses:
“In Parijs of in New York is het ondenkbaar om een feest te organiseren waar de belangrijkste figuren van het dorp, zoals de pastor, de burgemeester, de rector van de school, de juf, de meester, de baas van het Leger des Heils en de dorpsdichter tegelijk aanwezig zijn.”
Een enumeratie, ook wel: ‘opsomming’. Kader is er gek op, net als op kolomlange citaten. Het zijn toch zeshonderd woorden en zelfs een meesterverteller zit er wel eens om verlegen. Zo’n opsomming heeft iets poëtisch en daardoor ben je als lezer misschien geneigd wat minder kritisch naar de inhoud te kijken. Wij kunnen het ons niet veroorloven ons te laten meevoeren op de golven van Kaders muze. Wij lezen gewoon wat er staat:
1. Parijs en New York zijn dorpen, net als Amsterdam
2. In Parijs en New York kun je geen feest organiseren waarbij de voornaamste ingezeten aanwezig zijn.
Het eerste zien we door de vingers. Als je weleens op het Empire State Building hebt gestaan en in de richting van de voormalige Twin Towers hebt gekeken, weet je dat NY zich in weinig onderscheidt van andere dorpen zoals Nijswiller of Ermelo. Maar of je in NY en Parijs de pastor en de burgemeester etc. niet op een feestje bij elkaar zou kunnen krijgen? Mij lijkt het sterk. Als Amerikanen en Fransen ergens goed in zijn, is het in gala’s waar glimlachende hotshots zich in het zweet netwerken. Maar gesteld dat het waar zou zijn. Waarom zou je er melding van maken? Wij eten graag een zilveruitje bij de boerenkool, Parijzenaren en New Yorkers niet. Wie kan het wat schelen?
Kader dus. Die heeft de eerste 150 woorden binnen, denkt dat gaat lekker en gooit er nóg een opsomming achteraan. En gelijk heeft-ie. Als er een kapot gaat, heb je d’r mooi nog een achter de hand. Bovendien hou je zo de mentaal uitgedaagde lezer aan boord, die het beeld niet al bij de eerste keer doorgrondde.
“Het Boekenbal is zo’n feest, een interessant eigenzinnig boekenfeest waar de burgemeester van Amsterdam, de Minister van Cultuur, de Minister van Justitie met zijn dochter (sic!), de chef van de politie, acteurs filmregisseurs, nieuwslezers, schrijvers, dichters, uitgevers en zakenmannen allemaal op een avond samen zijn. Van een afstand bekeken is het eigenlijk alles wat we hebben in Nederland, en dat allemaal in die kleine schouwburg.”
Moet u ook denken aan Multatuli’s bumpersticker ‘Van de maan af gezien, zijn wij allen even groot?’ Hoever weg moet je gaan staan, wil je denken dat het clubje boekenbaltijgers ‘alles (is) wat we hebben in Nederland’?
In 2006 schreef Kader ook al een eigenzinnig verslag over het damalige Boekenbal. Een belangrijke overeenkomst met die column zijn de zelffelicitaties. Ik denk niet dat Kader aan de lectuur van Jip, Janneke, Kopland en Hermans het beeld heeft overgehouden dat de inwoners van zijn tweede vaderland dat prettig vinden. Maar van valse bescheidenheid zal nooit iemand hem beschuldigen:
1. (Kader tegen Harry M.): “‘U ziet er goed uit, beter dan vorig jaar, gezonder. Wat heeft u gegeten het afgelopen jaar en waar bent u geweest? U ziet er jonger uit. Toch niet naar een Arabisch land?’ Zijn vriendin kuste me drie keer voor mijn ware woorden.
2Ik zag Jan Siebelink: ‘Ik ben bezig met uw Violen, elke ochtend twee hoofdstukjes voordat ik het bed verlaat. Vanochtend bladzijde 301: Niet dwalen, Heer! Laat mij niet hulpeloos varen. Ps 119:5.’ Beter dan dit kon ik Siebelink niet groeten.
3. ‘Dit jaar heb ik iets moois gedaan, iets wat ik een keer eerder in het vaderland gedaan heb.
De gewiekste name dropper Kader A. laat nooit na het gezelschap van de allergrootsten te zoeken. Tenminste, van degenen die dat in zijn ogen zijn. Kader heeft geen oog voor de kruimels. In de twee columns noemt hij Conny Palmen, Freek de Jonge, Jan Siebelink, Gerard Reve, WF Hermans, Gerrit Kouwenaar en natuurlijk Kader de Grote. Harry Mulisch is dit jaar ook weer van de partij. Und dann, Damen und Herren, kommen die Grosse Kamele!
’Toen ik Harry Mulisch tegen kwam, stopte ik en groette hem plechtig, drukte zijn hand, boog me voorover en zette een kus op de hand die nooit meer wilde schrijven. Ik verraste mezelf met mijn onverwachte actie.”
Mij verrast het niks. Een pathetische geste van een geoefend poseur. Als je drie jaar geleden al tegen Mulisch durfde te zeggen dat hij er goed uitziet, jonger, dat hij zeker ‘naar een Arabisch land’ op vakantie is geweest, dan verbaast het je alleen dat het dit jaar bij zoenen is gebleven. En voor wie denkt: wat een boel eer voor een ‘kabbalistische tegelzetter’*: Sinterkader is in zijn grote boek ook Willempje Frederik en Gerardje Kornelis niet vergeten hoor!
‘Bij Mulisch boog ik mijn hoofd ook voor nog twee grote naoorlogse schrijvers die er niet meer waren: Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Deze drie hebben samen een hoog niveau in de Nederlandse literatuur bereikt die andere schrijvers waarschijnlijk nooit meer zullen halen.’
Je hoort ze jenseits verlegen giechelen en je ziet ze blozen: ‘nou nou Kader, wat een vleierij, da’s allemaal echt te veel eer hoor!’
Nu moet ik ophouden. De dokter en mijn vrouw willen dat ik me weer op de tuin ga storten. Bezigheden die de bloeddruk ontzien. Jammer is het wel. Op aanraden van collega Peppelenbos (leest allen zijn kale Martin Ros-citaten) zal ik de komende maandagen nog wel enkele opvallende Kaderzinnen zonder begeleidend commentaar op woordsoep plaatsen. U mag het voortaan zelf doen. U heeft nu gezien hoe het moet. En dat iedereen het kan.
* naam en adres van de bedenker van deze dodelijke kwalificatie bij de redactie bekend.