Het geestige in de kunst
Ik heb een vriend die kunstschilder is. Als hij een schilderij maakt dat ’Westertoren in de winter’ heet, dan mag de aspirant-koper erop rekenen dat hij in de afgebeelde toren daadwerkelijk de Westertoren herkent en dat er tenminste een laagje ijs in de gracht, of een pak sneeuw op de brug ligt. Hij schildert, zoals dat heet, figuratief. Ik vind - maar dat is persoonlijk, zoals altijd als ik iets vind - ‘Westertoren in de winter’ een heel mooi schilderij. Of het ‘kunst’ is, vind ik niet meer zo’n interessante vraag. Vroeger wel. Het lijkt nog maar kort geleden dat ik na het lezen van Kandinsky’s ‘über das Geistige in der Kunst’ ’s nachts in de Groningse Poelestraat verkondigde dat het weliswaar knap was, dat mijn vriend zulke fijne afgietsels van de werkelijkheid kon maken, maar dat het met kunst geen mallemoerskont te maken had. Het draaide op schreeuwen uit. Dat deed je toen. Jongens etc.
Later kreeg mijn vriend zo half en half verkering met een conceptuele kunstenares. Die nam hij mee naar zijn atelier. Ze werd er stil van, al die gedekte tafels, Italiaanse stadsgezichten, havens vol boten. Uiteindelijk zei ze, verbijsterd: ‘waarom doe je dit?’ Met die verkering is het natuurlijk niks geworden. Toch blijft het een goeie vraag die ik om diplomatieke redenen zelf vaak maar ongesteld laat.


















