Cup-a-soup

woordsoep in een kommetje


Het karretje van Kader

Alles wordt minder, behalve de column van Kader A. in de VK op maandagochtend. Die wordt steeds beter! De parels van maandag 8 maart 2010:

De PVV is in Almere de grote winnaar geworden en werd tweede in Den Haag tijdens de gemeenteraadsverkiezingen. Geert Wilders heeft daar gewonnen. (Goed dat hij het er nog even bijzegt, niet iedereen kijkt elke avond naar het jeugdjournaal).

Ik forceer mezelf om hem in deze tekst te feliciteren, maar het gaat niet, het is lastig. Hij is verzadigd met haat. Geert Wilders heeft een doel, een angstdroom, helaas is zijn angst gebaseerd op de werkelijkheid. Een passage als een achtbaan. Eerst willen feliciteren. Waarom zou je? denkt de lezer. Dat denkt Kader ook. Hij vindt het lastig. Dan maar niet. Want Geert zit vol haat en hij heeft een doel. Maar dat doel is een angstdroom. En die is weer gebaseerd op de werkelijkheid. Is dat dan nog wel een droom, vraagt de lezer, duizelig van de snelle bochten, zich af. Maar het karretje van Kader  schiet zo snel door de ochtendkolommen dat je geen tijd hebt om er bij stil te staan. We razen door naar een verrassend accurate samenvatting van Wilders gedachtengoed: Weg met de hoofddoeken / Weg met de Islam in mijn cultuur / Weg met hen die mijn belastingen opeten (sic-er-de-sic!) / Weg met de moslimmisdadigers / Weg met de Koran / Weg met de moskee / Weg met de baard / Weg met de Marokkaanse rotjongens / Zet commando’s in Pak hen!

Je hebt er lang voor in de rij moeten staan, dus je wil er voluit van genieten. Maar jeetje! we zijn al op een kwart en na de felicitatie-looping glijdt het karretje veel te kalm over de rails. Maar dan ken je Kader niet! Allemaal techniek: de meesterverteller houdt in, en zet al je overtuigingen met een snelle kurkentrekker weer helemaal op de kop:

‘Ik woon niet in Den Haag, maar als de helft van de Haagse bewoners zegt dat ze zich niet veilig voelen, dan voelen ze zich niet veilig.’

‘Je hoeft niet in Den Haag te wonen om tot deze conclusie te komen,’ zegt u. ‘Als twee Hagenezen zich onveilig voelen,’ dan geldt hetzelfde, voegt u eraan toe. Houdt u eigenlijk wel van achtbanen? Mevrouw Maggi zegt in zo’n geval altijd: ‘u hoeft niet in dat karretje te gaan zitten. Je kan ook in de botsautootjes. En daar heeft mevrouw Maggi wel gelijk in, maar dan mis je nog twee hele mooie bochten. Wendingen die het middelpunt met zo’n kracht ontvlieden dat je het gevoel hebt dat je eruit vliegt:

‘Agnes Kant, de afgetreden leider van de SP (wat is Agnes Kant… die knappe blonde gezondheidswetenschapster uit… afgetreden? Waarom vertellen ze mij nooit wat?), zei laatst (riemen vast, damesheren!)

‘Geert Wilders is gevaarlijk’. (O, o, o, o!) Ik ben het met haar eens. Ik reconstrueer haar woorden en kom tot het volgende:

‘Geert Wilders maakt mij gevaarlijk’.

You tiger! denk je, goed zo, laat je tanden maar eens zien! Weer een bocht niet zien aankomen:

Ik ben niet tegen Geert Wilders, hij boeit me zelfs, maar zijn woorden en de haat in zijn stem, wekken woede in mij. Ik wil het niet, maar hij plant haat in mijn vlees (vlees?) met zijn formules.

We zijn er bijna. Wat een opwindende rit was het! En nog is het niet uit! Je kan na zoveel verrassingen niet meer zeggen dat de uitsmijter onverwacht komt, maar zeg niet dat hij zich er met een Jantje van Leiden vanaf maakt. Kosten noch moeite… alles voor de grande finale die de kermisbezoeker nog lang zal bijblijven:

‘Ik vrees voor zoveel haat die hij zaait’

(Fin)

Trillend stap je uit. ‘Nog een keer?’ vraagt de enthousiaste puber die naast je zat. ‘Nou, nee,’ mompel je, volgende week weer, misschien.

Published by admin, on March 8th, 2010 at 11:21 am. Filled under: Kaderdag, UncategorizedNo Comments

taalpathologie

In de aanloop naar het verschijnen van het Grote Soepboek stuit ik in de Dikke Digitale op een schitterend woord:

taalpathologie
taal•pa•tho•lo•gie
de (v.)
1 richting binnen de taalkunde die gestoord taalgedrag bestudeert

gestoord taalgedrag. En de krokussen in de geveltuin staan ook nog eens in bloei. Wat heerlijk allemaal!

Published by admin, on March 5th, 2010 at 1:03 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

Oops I did it again

toch een beetje feestelijk altijd, zo’n stemdag. Vroeger, bij de Maggi’s thuis, was het een soort Poolse Landdag. Het begon ermee dat partijgenoot R. een paar weken vantevoren een raamaffiche langsbracht. R. kreeg koffie en met het hele gezin schaterden we om die domme Wiegel met z’n dikke kapitalistenkop. Op de dag zelf - feestelijker dan Koninginnedag - reden geluidswagens door de stad. In de bestuurder herkende je partijgenoot R. Je stak een gebalde vuist op. Later mocht je met je vader naar het stemlokaal waar een andere partijgenoot je breed glimlachend opwachtte. Ons kende ons en ons had het politieke gelijk voelbaar aan onze zijde. Zo is het niet meer. De enige politicus die ik op first name basis ken, staat op de lijst van een partij die zich voor mij in het politieke Delta-kwadrant bevindt. Mijn grootmoeder werd ontslagen vanwege haar ‘rode trekjes’. Een beroemd familieverhaal dat ik koester, net als het verhaal van mijn overgrootvader aan de andere kant, die geen tijd had om het huwelijk van zijn dochter bij te wonen, omdat de plaggenhut die hij voor haar bouwde nog niet af was. Dat is de bagage waarmee de oude Maggi zich vanochtend naar het stembureau sleepte. En nou weet ik ook wel dat de wereld er sindsdien niet in alle opzichten op vooruit is gegaan. En dat de sociaal-democratie anno 2010 niet meer het eerste antwoord is op de problemen van deze tijd. Maar als het potloodmoment aanbreekt en je staat daar zo in zo’n hokje en je overweegt even serieus om wat anders te stemmen, dan komen die beelden weer terug. Mijn hand trekt automatisch naar links. Je probeert een zorgvuldige afweging te maken. Toch maar eens afrekenen met de regentencultuur, de draaikonterij, het biefstuksocialisme? En zo ja, wie gaat het dan beter doen dan Lodewijk Asscher? D’66? SP? Groen Links? De VVD zelfs? Ik maak het hokje rood. Lijst 1, nr. 1. Oops, I did it again. Zo gaat het al bijna dertig jaar. Daar sta ik, ik kan niet anders.

Published by admin, on March 3rd, 2010 at 4:57 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

kitesurfreisje

in het kader van ‘de week van de verbijstering’ een paar citaten uit een bekend landelijk ochtendblad met een katholieke achtergrond:

‘Ik had net een opdracht bij ING afgerond en dacht: ik heb hard gewerkt en ga nu op vakantie.’ Maar toen zij en haar dochter terugkwamen van hun kitesurfreisje naar Bonaire, was er nog steeds geen zicht op werk. Een rondreis in een Landrover door Zuid-Afrika, Botswana en Zambia volgde. ‘En toen dacht ik: in de zomer komen er sowieso geen opdrachten binnen. Dus laat ik er maar het beste van maken. Ik hou erg van reizen, dus we zijn nog naar New York, Marokko, Spanje en Portugal geweest.’

Het stuk eindigt met: ‘Je hoeft geen medelijden met me te hebben, hoor. Ik red me wel, desnoods verkoop ik mijn motor.’ Eerder in het stuk heeft ze de spaarrekening van haar 6-jarige dochter geplunderd (’Maar ik betaal haar terug met rente’).

‘Uiteindelijk heb ik in 2009 geen oester minder gegeten. Ik koop ze nu alleen in de viswinkel.’

Nou kun je zeggen: wat dapper dat ze dat allemaal in de krant durft te vertellen, die ‘Amsterdamse blondine’ (42). Maar bewondering is niet de eerste emotie die zich aandient. Het is natuurlijk al heel griezelig dat alleen de afgrond van een bijna-failliet de Amsterdamse blondine tot reflectie over haar hersenloze consumptiedrift kan bewegen ‘Ik ben me bewuster geworden van de waarde van geld. Dat is een goede les.‘ Maar nog veel griezeliger en tijdgeestiger wordt het waar ze zegt: ‘Maar het zal nog wel even duren voordat ik op het oude niveau zit.’

Nobody ever learns anything. Ik moet even naar buiten. Ademhalen. Aan leuke dingen denken. En even langs de bibliotheek voor een portret van Calvijn. Dat ga ik kopiëren en boven mijn werktafel hangen. En daarna ga ik kitesurfen, want ik heb ook recht op een beetje plezier.

Published by admin, on February 26th, 2010 at 10:43 am. Filled under: Uncategorized1 Comment

nalatenschap

pleerolIedereen die weleens een moppie schrijft, zal ooit met de gedachte hebben gespeeld: wat als mijn meesterwerk na mijn dood uit de la wordt gehaald en alsnog  zijn weg naar de uitgever vindt? Alle schrijvers (er zijn geen uitzonderingen) zijn ijdeltuiten. Als je denkt dat er tegen een achtergrond van drie Chinese muren vol boeken nog iemand zit te wachten op jouw gefröbel in de marge, dan is bescheidenheid niet je meest in het oog springende karaktereigenschap. Punt. Maar ik denk wel dat er schrijvers zijn die geen roem voorbij het graf nastreven. Waarom zouden ze ook? Niemand kan ze meer lof toezwaaien of hun werk onder de zoden moffelen. Nou ja, het kan wel, maar de schrijver neemt het allemaal niet meer waar. Toch is de gedachte dat iemand na je dood in jouw spullen graait onverdraaglijk. Een van de kenmerken van ijdelheid is de neiging de regie in handen te willen houden. De spiegel bij de kapper is er niet voor de kapper, maar voor de bezorgde klant die elke beweging van de barbier nauwgezet wil volgen. Als je doodgaat, geef je de sleutel van je schrijfla uit handen. Een verstandig mens ruimt zijn laatje bijtijds leeg. Zo voorkom je dat een in een vlaag van (liefdes)verdriet geschreven draak alsnog ingelijst of (nog erger) als nagelaten gedicht in een verzamelbundel verschijnt. Breek jij daar nou je mooie soepkoppie niet over, Maggi, denkt u. En terecht. De kans dat de duister-romantische verzen die ik op mijn 22ste schreef (’hij kon de dood niet langer vrezen’) het eerste rondje papierbak overleven is verwaarloosbaar. Maar de kans dat dagboekaantekeningen en brieven in handen raken van de verkeerde persoon, die er spartelend van het lachen mee aan de haal gaat, is toch onverteerbaar. Je goede naam gaat anderhalve generatie mee. Er zijn dingen die je je kleinkinderen wilt besparen. Wat hun kinderen van je vinden doet er niet zoveel meer toe. Maar ik zou het (superbia!) leuk vinden als mijn kleinkinderen over mij zouden zeggen, wat mijn huisgenoot T. over zijn grootvader zei: ‘een wonderlijke figuur. Hij heeft zelfs een boek geschreven.’ Leuker dan: ‘een eersteklas mafkees. Toen-ie doodging hebben ze in zijn bureaula een onleesbare homo-erotische roman in brieven gevonden, gericht aan de kroonprins van Denemarken. Hier moet je kijken, kun je lachen!’ Die roman - voor alle duidelijkheid - bestaat niet. De waarheid is misschien nog wel erger. Maar daar komt niemand ooit achter. Ik heb schoon schip gemaakt. Mijn jeugdwerk komt u hooguit nog tegen als de anonieme lettertjes die je soms ziet op goedkoop gerecycled wc-papier. Een troostrijke gedachte dat je zo met je nagelaten werk toch nog iemand een plezier kunt doen.

Published by admin, on February 19th, 2010 at 10:04 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

letter-to-the-editor-madman

Ik zal u mijn teleurstelling niet verhelen: ik ben een letter-to-the-editor-madman (ph. Roth), die veel boze brieven schrijft, die hij uiteindelijk niet verstuurt. De onderstaande had ik wel aangeboden aan de forumpagina van de Volkskrant. Ze wilden hem niet hebben. En dan doe je maar wat elke gek met een internetverbinding doet: je zet hem op je eigen website.

Hell, brought to you by X-Box

In Het Vervolg (6 februari) probeert Peter Van Ammelrooy een paar misverstanden over gamen uit de wereld te helpen. Een dapper gebaar, ter verdediging van al diegenen wier favoriete tijdverdrijf dagelijks het mikpunt is van spelbrekers die in de Wii, playstation en X-box het zoveelste werktuig van de duivel zien. Van Ammelrooy probeert met zijn stuk de ongeruste ouders van potentieel gameverslaafde jongeren gerust te stellen. Ik ben zo’n ongeruste ouder en hoe graag ik me ook zou laten opbeuren, mij overtuigt hij met dit artikel niet.

De uitdagende kop boven het stuk zet meteen de toon: ‘Nee moeder, ze worden er heus niet agressief van’. Dat doet denken aan de reclame van Peijnenburg, waarin een opgewekte stem herhaaldelijk roept: ‘nee, nee, er zit geen vet in ontbijtkoek.’ Dat kan kloppen. Maar er zit wel suiker in, veel suiker. En daar worden moeders lievelingetjes ook vet van. Van Ammelrooy lijkt zijn stuk naar Peijnenburgs recept te hebben geschreven: ontken de negatieve aspecten die eenvoudig te ontkennen zijn, en verzwijg de andere. De minpunten die hij wel aanroert (1. verslaving, 2. gezondheidsproblemen, 3. verlies aan sociale contacten, 4.gebrekkige intellectuele ontwikkeling, 5. gewelddadige inhoud en 6. navolging van het geweld, 7.schade aan de kinderziel, 8. sponsoring door de wapenindustrie 9. gebrek aan artistieke inhoud) ondergraaft hij met argumenten die op z’n zachtst gezegd niet helemaal zuiver zijn. ‘Cheaten’ heet dat in gamers-jargon. Ik noem drie voorbeelden:

- De kwestie rond de kwalijke effecten van gamen op de lichamelijke gezondheid hangt hij volledig op aan de vaststelling dat de ‘Engelse ziekte’ weer de kop op steekt. Dat blijkt, zo laat hij overtuigend zien, nogal mee te vallen. Over overgewicht, (4-5% van de Nederlandse jongeren lijdt aan obesitas, in de afgelopen 10 jaar is hun aantal verdubbeld) heeft hij het niet. Prof. dr. Hollander van de faculteit bewegingswetenschappen van de VU vatte dat probleem in een interview in 2005 kernachtig samen: ‘ze eten te veel en ze bewegen te weinig’. Zelfs met het veelgeprezen Wii-sports moet je nog flink doorboksen om je ontbijtkoekje te verbranden.

- De passage over het gebrek aan artistieke inhoud wordt uit hetzelfde deeg gekneed. Hij geeft drie voorbeelden van games die hij rekent tot de ‘hogere’ cultuuruitingen.

(1). Shigeru Miyamoto kreeg voor Donkey Kong en Super Mario een lintje en werd zo lid van de ‘Ordre des Arts et de Lettres’.

(2) Er is een game dat Dante’s inferno heet, ‘gebaseerd op het epos van Dante Alighieri’ (‘very loosely based,’) en

(3) in Engeland wordt zelfs mogelijk een ringweg vernoemd naar Lara Croft ‘onbetwist een internationaal cultureel fenomeen’. (Dat laatste kan ook gezegd worden van de vogeltjesdans, maar dat terzijde).

Geen kwaad woord over Donkey Kong. Maar als dit de hogere cultuuruitingen zijn waar de gamewereld sinds Pong (1972) en Pacman (1980) aanspraak op maakt, dan ben ik niet onder de indruk.

- Een derde en laatste voorbeeld van selectief waarnemen vinden we in de redenering ‘Games waarin je de slag om Waterloo nabootst of als burgemeester een stad bestiert (SimCity) scherpen het tactische en strategisch inzicht. Schaken is toch ook een spel?’

Zeker. Pim-pam-petten ook. Maar afgezien van de vraag hoeveel van onze jongeren een stad bestieren of Waterloo naspelen (ze zullen er zijn, ik ken ze niet) en zonder in te gaan op de vraag hoeveel strategen en tactici ons landje nodig heeft, moeten we vaststellen dat het zichtbare deel van de gamende natie heel andere veldslagen speelt. Van Ammelrooy noemt ‘Grand theft auto’ als gewelddadig spel en citeert uit een ‘top twintig van meest verkochte games’. In die top 20 zou GTA met een veertiende plaats het eerste spel met een gewelddadige inhoud zijn. Ik heb dat lijstje niet kunnen vinden. Maar na wat gegoogle kwam ik wel een heleboel andere lijstjes tegen, waarop de fantasierijke namen van andere games in de top 10 voorkomen. Ik noem er een paar: Modern warfare, Assassins Greed, God of War, Smackdown. Zonder uitzondering games waarin geweld met veel ziek genoegen voor detail een hoofdrol speelt. Een 14-jarig familielid liet me een jaar of wat geleden kennis maken met de hogere cultuuruitingen uit ‘Grand theft auto’ met de mededeling: ‘moet je kijken! Hij is al dood, maar als je op het lijk blijft schieten, gaat hij helemaal spastisch liggen trillen.’ Ik zag het. Dat brengt me op een punt dat Van Ammelrooy helaas laat liggen. Beschaving. Of je perse blij moet zijn met een kind dat ‘De olijke tweeling op kostschool’ leest, weet ik niet. Maar een kind dat (groep 3, bijna zeven, waar gebeurd)  in het kringgesprek over toekomstdromen meldt dat het later ‘sniper’ wil worden, groeit mijns inziens wel op in een heel rare wereld. ‘Je houdt het toch niet tegen,’ zei de moeder van de 14-jarige. Ik ben bang dat ze gelijk heeft. Je kunt moeilijk op tegen de miljarden die de game-industrie besteedt aan gelikte trailers. Bovendien: er zijn inderdaad leuke, onschuldige ja zelfs educatieve spellen te koop. Als journalist heb je de luxe dat je de zaak van meerdere kanten kunt laten zien. Het is jammer dat Van Ammelrooy dat level heeft overgeslagen. De boodschap die uit zijn dappere poging tot relativering opklinkt, zal voor veel ouders aanleiding zijn om te blijven volhouden dat het wel meevalt. Stond in de krant. Ondertussen weet de auteur natuurlijk ook wel dat de PEGI-keuring een wassen neus is. Dat zelfs het kinderlijke New Super Mario Bros het niet zonder duivelse symboliek kan stellen, dat je zelfs in dit voor alle leeftijden geschikt geachte spel je doel alleen kunt bereiken als je onderweg een paar duizend schildpadden doodtrapt, niet in een bak gloeiende lava valt, of aan de scherpe punten van hororachtige stormrammen weet te ontkomen. Uiteindelijk kleeft aan alle spellen waarin de leeftijdgenoten van mijn kinderen geïnteresseerd zijn een nare geur van leedvermaak. Ik heb nog nooit meegemaakt dat een groep kinderen zo sterk de behoefte voelde om te lezen dat de pannenkoeken en de taart terzijde werden geschoven om snel in ‘Pinkeltje en de ijsheks’ te duiken. Wel heb ik al twee kinderfeesten meegemaakt waar kinderen al dan niet clandestien naar hun meegebrachte DS grepen. Dankzij Van Ammelrooy weten we nu dat dat geen a-sociaal gedrag is, maar interactiviteit ‘oneindig veel socialer dan gewone televisie’. Laten we ‘Nee moeder’ aangrijpen om eens serieus na te gaan denken over de beweegredenen achter onze gametolerantie. En over de vraag of we Dante echt op deze manier aan onze kinderen willen overbrengen. Brought to you by Xbox.

Published by admin, on February 16th, 2010 at 12:40 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

Impasse

Ik weet heel goed waar dit gedicht over gaat. Hoewel bij ons voor de ramen ’s zomers de bruidsluier (Gypsophila paniculata) woekert. En wij een senseo-apparaat hebben, dat zelfs voor mannen eenvoudig te bedienen valt.  Ik zou mijn vrouw nooit vragen waarover zij wil dat ik schrijf en ik geloof ook niet dat Martinus Nijhoff dat ooit heeft gedaan. Sterker nog: dat vind ik raar. Als mevrouw Maggi een brandende kwestie heeft, dan schrijft ze het maar lekker zelf op. Misschien dat ze het leuk zou vinden als ik mijn liefde voor haar eens in een lange brief, met veel verwijzingen naar de mooie jaren die achter ons liggen, zou verwoorden. Als ik dat dan maar niet rond Valentijnsdag doe, want wij Maggi’s zijn niet zo van de door Jamin, Hema en Blokker in het leven geroepen tradities. Bovendien: als je een liefdesbrief schrijft op verzoek, dan doe je iets verkeerd. Spontaniteit mag dan een overschatte eigenschap zijn, in de liefde kun je moeilijk zonder. Als we voorbij een bloemenwinkel lopen, kan ik het nooit nalaten te vragen: ‘moet je bloemen?’ De vraag stellen is hem beantwoorden.

Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Een glycine is een blauweregenstruik. Veel van Nijhoffs klassiekers vind ik prachtig. Aan ‘Tuinfeest’ en ‘De wolken’ heb ik in mijn leven al veel troost gehad.  Over dit gedicht heb ik wel wat te mopperen. Ik heb stoom uit een fluitketel nooit opwaarts zien ’schieten’. Rijmdwang. Het overmatige gebruik van het tegenwoordig deelwoord (ziend, hebbend, zich hullend, druppelend) verdient ook geen schoonheidsprijs (is ook geen schoonheidsprijs verdienende eigenschap van dit gedicht). Maar het scheppen van een tekst uit het ontbreken van een onderwerp om over te schrijven is een aardige vondst. Al zeg ik het zelf.

Published by admin, on February 11th, 2010 at 11:50 am. Filled under: Uncategorized1 Comment

‘de eigentijdse hogere literatuur’

Ik heb een mening over het werk van Heleen van Royen. Dat mag, want ik heb een boek van haar gelezen. Een oud boek alweer: de gelukkige huisvrouw. Mijn mening is niet verrassend: ik vond het vaardig geschreven, maar het drong Tsjechov, Thomas Mann en Raymond Carver niet uit mijn toptien. Voor veel literaire tijdgenoten is Heleen geen schrijfster, maar een fenomeen. (Zeg hardop: ‘Heleen is een fenomeen’.)  Het maakt niet uit of je iets van haar hebt gelezen. Ze is de boksbal geworden van mannetjes met ingewikkelde brillen die vinden dat het woord ‘literatuur’ zijn betekenis heeft verloren. Ik ben het met die mannetjes eens. Als je op een bakje met bio-industrieel varken een sticker plakt met ‘ecovlees’ wordt het varken daar met terugwerkende kracht geen blij varken van. Als je een vrolijk pornografisch niemendalletje een buikbandje voorziet met de tekst ‘literaire sensatie’ brengt dat de auteur niet eensklaps op dezelfde hoogte als JD Salinger. Met betrekking tot de gehaktballetjes van slagerij Van Royen (en de kadetten van de aanpalende bakkerij Kluun) lijkt het omgekeerde te gebeuren. We weten het niet, want de keuringsdienst is nog niet langsgeweest. Hangende het onderzoek plakken de mannetjes met ingewikkelde brillen er maar vast een fluorescerend plaatje op met de waarschuwing dat de balletjes en de kadetten van Van Royen en Kluun de literaire warenwet overtreden. Ik word daar altijd wat bokkig van. Vooral als het dédain uit de hoek komt van mensen die zelf geen deuk in een pakje literaire boter slaan. Maar ook de honorabele Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse Letterkunde, die het trouwens voor Van Royen opneemt, mag op mijn warme irritatie rekenen. Joosten schrijft over Van Royens jongste, ‘de mannentester’: ‘Van Royen geeft in een fraaie, snelle stijl, in allerlei terzijdes en types rake cynische commentaren op, bij voorbeeld, hypes en quasi-engagement in het hedendaagse Nederland. Zo is dit een veel totaler boek, met meer eigentijdse relevantie, dan veel ander werk dat momenteel verschijnt.‘ Een nietszeggend copy-paste oordeel. Verwijder de auteursnaam en de titel en je kunt er als criticus weer een decennium tegenaan. Op http://www.heleenvanroyen.nl/pdf/vanroyen.pdf kunt u zien hoe Joosten aan de hand van zulke argumenten (vingers omhoog wie dit jaar nog graag een paar ‘totale boeken’  wil lezen of wie een schrijver graag in allerlei types rake cynische commentaren wil zien geven) tot dit oordeel komt ‘Maar als op dit moment totaal smaak- en visieloos knutselwerk als Dimitr Verhulsts Godverdomse dagen of bombastische edelkitsch als Enquists Contrapunt door de smaakmakers probleemloos tot de eigentijdse hogere literatuur worden gerekend, dan is er geen enkele reden om Van Royens De mannentester niet serieus te nemen.

Van Royen reageert op haar website - zoals te verwachten - met een raak en cynisch bedoeld commentaar. Ze noemt Joosten ‘ome Jos’ (cynisch!) en schrijft (raak!) ‘dat dit een van de STOUTSTE dingen is die ome Jos ooit heeft gedaan. Zij weet hoe zwaar en griezelig het is om tegen de stroom in te zwemmen. Ze vraagt zich af hoe ome Jos zich nu voelt, of hij al een reddingsboei nodig heeft, en laat weten dat ze niet te beroerd zal zijn hem uit het water te vissen als hij de overkant niet haalt. Of ome Jos nou “goed” is of “fout” maakt haar niet uit: Heleen redt iedereen.’

Wij, de vleugellamme ‘readers who just read and run’ kijken er met open mond naar. Joosten die tegen de stroom in de overkant probeert te bereiken (niet zelf proberen, dat kan alleen een hoogleraar) en mannentester Heleen die hem een reddingsboei toewerpt. Een vermakelijk spektakel dat niets meer met literatuur te maken heeft. Doorheen die dikke lagen zelfpromotie aan weerszijden van het beekje, ziet niemand het water meer. We zijn op onszelf aangewezen. Lezen. Er zit niks anders op.

Published by admin, on February 4th, 2010 at 5:44 pm. Filled under: Uncategorized5 Comments

Toekomstdromen (24)

Op de Koninginnedagmarkt lag de jeugd van zijn kinderen over twee kleden verspreid. Scoop. Muck en Dizzy en Rolly ook. Anders dan hij verwachtte, deden ze er niet moeilijk over. Niet alles kon mee naar Canada, dat begrepen zij ook wel. Hij probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn als ze het huis niet hadden verkocht. Dan zou de kist met autootjes pas in 2035 van zolder zijn gekomen. Dan zouden ze de plastic wagentjes nog een keer vertederd door hun handen laten gaan en zou hij tegen zijn kleinkind zeggen: ‘kijk, daar speelde je vader vroeger mee.’ En hij zou voordoen hoe de grijper van de shovel op en neer ging tijdens het rijden. Hij nam de vervilte Pikachu in zijn handen en verzonk in gepeins. Zijn vrouw kwam naast hem staan en legde een hand op zijn onderrug. ‘Denk maar aan de schone lucht daar,’ zei ze begripvol, ‘volgende winter gaan ze met de hondenslee naar school’. Hij probeerde het zich voor te stellen. De eindeloze wouden, de bergmeren, het grote houten huis met de brede veranda. De winters die nog winter waren, de beken vol zalm, de jongens in hun eigen kano. Een jongetje in een oranje t-shirt deed een bod op een stapel Pinkeltjes. Vijf stuks voor drie euro. ‘Dat is een vergissing,’ mompelde hij, ‘die zijn niet te koop’.

Published by admin, on February 1st, 2010 at 10:09 am. Filled under: Uncategorized, toekomstdromenNo Comments

verbalitis

Er wordt gediscussieerd over het afschaffen van de proefvertalingen Grieks en Latijn op de categorale gymnasia. Aleid Truijens, die wat mij betreft altijd gelijk heeft, ook als ik het op voorhand met haar oneens was, schrijft daarover: ‘Een gymnasium zou geen vesting voor de elite of wannabe-elite moeten zijn, maar de plaats waar de slimste, begaafdste en gretigste leerlingen uit alle milieus aan hun trekken komen. Dit plan verpest het voor hen. Een gymnasium–light zal niet minder wit worden, maar maakt het minder getalenteerde kinderen uit de elite nog makkelijker hun gerieflijke positie te behouden.’ (lees hier meer). In deze discussie dacht ik van de week terug aan een gesprek dat ik daar jaren geleden over had. Mijn opponent zei: ‘er zijn nu wel veel meer mensen dan ooit die ergens iets vanaf weten’. Soms slaat een argument je met stomheid. Je voelt dat het niet deugt, maar anders dan je tegenstander krijg je jouw opvattingen zo vlot niet geformuleerd. Dat is een ziekte van deze tijd. Verbalitis. Zoals David Byrne het zo prachtig formuleert in psycho killer: ‘you’re talking a lot, but you’re not saying anything’. Wat mijn opponent - na enig nadenken - had moeten zeggen was: ‘er zijn nu wel veel meer mensen dan ooit die beschikken over het vermogen om eindeloos te drammen over dingen die van geen enkel belang zijn.’ Naar mijn bescheiden opvatting is het socialistische ideaal van de volksverheffing omgekeerd in de nachtmerrie van de lullocratie. Er is helemaal geen behoefte aan 16 miljoen mensen met academische competenties. Nog los van het feit dat ‘academisch’ niks meer betekent als het werkelijk voor iedereen bereikbaar is. We zijn terechtgekomen in een sovjetwerkelijkheid waarin iedereen zijn borst vol blikken medailles speldt en van iedereen verwacht met de bijbehorende egards te worden behandeld. Omdat de werkelijk zwakbegaafden ook dol (nog doller misschien) zijn op medailles, is een industrie in het leven geroepen die extra onderscheidingen bijdrukt in de vorm van syndromen met prachtige namen. Wie niet kan rekenen lijdt aan dyscalculie. Wie niet mee kan komen met lezen is dyslectisch. Een jochie dat liever met een hamer op een stuk ijzer slaat, dan in de groep te vertellen wat de beelden van Haiti met hem doen, is een ADHD-er. Een kind dat niet leuk meedoet in de poppenhoek lijdt aan een ‘non verbal learning disorder.’ Geen nood, want op vertoon van hun d-speldje mogen ze allemaal naar iemand die ervoor heeft doorgeleerd en die geeft gratis doucumenten uit waarin de wanprestaties in deftige wetenschappelijke taal worden verklaard. Ondertussen drupt de kraan in de keuken van de Maggi’s gewoon door. Maggi zelf, die gezien zijn afkomst voorbestemd was loodgieter te worden, doet er niks aan. Daar is-ie niet voor opgeleid. Hij is wel blij met het stukkie blik dat hem in staat stelde zijn talenten te ontplooien. En in alle eerlijkheid: zo richt hij ook veel minder schade aan. Er is geen groot pijplegger aan hem verloren gegaan. Maar zonder mammoetwet zou hij nu waarschijnlijk met volle fietstassen andermans koude brievenbussen vol staan proppen. Daar zou hij de socialistische heilstaat die hem in 1980 nog zo scherp voor ogen stond een groter plezier mee doen.  Brrr. denkt meneer Maggi en staat - net als zijn hogeropgeleide soortgenoten - nog eens op om koffie te halen en vraagt zich tegelijk met al die 16 miljoen andere genieën af: waar blijven die verdomde loodgieter, postbode en straatveger nou?

Published by admin, on January 26th, 2010 at 10:35 am. Filled under: Uncategorized2 Comments

Maandag

Ik laat het vandaag maar eens bij een droge opsomming van de juwelen uit Mirza:

> ‘Door de eeuwen heen is de traditie tot stand gekomen om getroffenen te helpen.’

> ‘Zij die dood zijn, zijn dood, zij die overleefden, vele sterke Haïtianen, moeten verder’

> ‘Helaas - of gelukkig - biedt een aardbeving nieuwe kansen; nieuwe wegen, nieuwe huizen, nieuwe geliefden en nieuwe samenstellingen van gezinnen.’

> ‘Inmiddels hebben 94 Haïtiaanse kinderen in een klap nieuwe Nederlandse ouders gekregen. Een aantal  van hen hebben we mogen bewonderen toen ze gehuld in dekens in de armen van hulpverleners uit het vliegtuig kwamen. Ze keken met hun donkere, levendige ogen verbaasd om zich heen naar die kou en de regen, mooier kon niet.’

> ‘Wonderbaarlijk dat vanavond deze nieuwe moeders Nederlandse verhaaltjes voor hun kinderen voorlezen. Lees hun dus zacht, maar overtuigend voor:

‘Jip zit bij de kapper.

Knip, knap, zegt de schaar.

En Jip zegt: Au!

Ik doe je geen pijn, zegt de kapper. Ben je nou een grote jongen? Je huilt al voor je geslagen wordt.

Knip, knap, knip, knip, knap doet de schaar.’

Een nieuw geluid, een nieuw begin.’

Daaronder de uit de tekst gelichte streamer ‘Omarm de kinderen die de natuur julie geschonken heeft’.

Hier past, denkt meneer Maggi, een verbijsterd stilzwijgen.

Published by admin, on January 25th, 2010 at 10:50 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Het k-woord

210120101351Ik ging zwemmen met mijn zoontje en zag vanuit mijn ooghoek dit affiche. Mijn aandacht had het. Meteen. Het is een sterk signaalwoord. Weinig woorden hebben zo’n huiveringwekkende alarmfunctie als het k-woord. Een dag ervoor heeft hetzelfde zoontje met een vriendje gesurft op een site die zijn populariteit dankt aan een  ander k-woord. Ik spreek zijn moeder eropaan. Vrolijk, want jongens zijn jongens. En hoewel je liever niet hebt dat ze al op deze leeftijd (ze zijn bijna negen) de horror van internetporno ontdekken, bleef het op de site waar ze terecht waren gekomen bij onschuldige taalgrapjes. ‘Maar goed, je wil liever niet dat ze het k-woord gebruiken,’ zeg ik tegen de moeder. Die moeder draagt een hoofddoekje. Niet vanwege haar religieuze overtuiging. Ze kijkt me niet begrijpend aan. Voor haar betekent het wat anders. Kut! denk ik. Een dag later zie ik het k-woord in een vitrine bij het zwembad. De boodschap is me heel diep uit het hart gegrepen. Ik stoor me al tijden aan het onachtzame gebruik van het woord. Kanker. There I said it. Ik ben nooit zo’n liefhebber van verhullend taalgebruik geweest. Maar ik begrijp ineens waar het goed voor is. Als je het verschrikkelijke hardop uitspreekt, wordt het alledaags. En als het alledaags wordt, verliest het zijn alarmfunctie. Dan begrijpen straatschoffies - zoals de Hyves-’vrienden’ van mijn buurjongetje S. niet meer dat het geen woorden zijn voor lollige over en weertjes. Het is goed dat er eufemismen zijn. En goed dat er moraalridders zijn die de onverschilligheid van sommige taalgebruikers aan de orde stellen, ook al heb je zelf niet altijd zin om die rol te spelen. Richelle Laurijsen (1992 - 2009) doet via http://www.kankerverziektjetaal.nl/een dappere poging om de in onze taal geslopen botheid uit te bannen. Als er een Maggi taalprijs zou bestaan, zou zij hem van me krijgen.

Published by admin, on January 21st, 2010 at 9:16 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

poëtische inspraak

Ik ben mannelijk lid van een clubje bezorgde ouders. Zo’n clubje gaat in de wandelgangen al snel een ‘commissie’ heten. Ik kan dus ook zeggen: ik zit in een commissie. Tijd om een dure aktentas te kopen en met een voorname kop door de straten in de buurt te paraderen. Dat je de mensen achter je rug hoort fluisteren: ‘die zit in een commissie, dat zie je zo’). Een lange zwarte jas, een hoed en een zwierige, mogelijk zelfs rode sjaal, een designbril… een wereld van heerlijke mogelijkheden. Maar met het oog op de raadsvergadering van morgen neemt de somberheid toch weer bezit van me. De taal. De uitgewrongen droge kaastaal van de hoger opgeleide die zijn deftige zegje doet. Iets akeligers is er niet. Dacht ik. Ik had beter moeten weten. Poëzie is overal, zelfs in de agenda van raadsvergadering. In dit geval in de vorm van inspraak (o dat woord!). Een buurtbewoner heeft tijdens een inspraakavond gezegd:

‘tussen de gevels kan het geluid moeilijk weg’

Wie het gezegd heeft, staat er niet bij. Maar ik ga er op aandringen dat deze zin in steen gebeiteld wordt. Een monument voor de vergeten schoonheid van de democratie.

Published by admin, on January 18th, 2010 at 10:07 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

het nieuwe rekenen

pizzaIk hoorde bepaald niet bij de besten van de klas als het op rekenen aankwam. Maar als ik op zaterdagavond (mevrouw Maggi vertoeft elders) voor drie personen twee pizza’s moet aansnijden, weet ik met dank aan meneer Matern en meneer Knoeff wel hoe dat moet. De werkelijkheid is natuurlijk ingewikkelder. Papa Maggi krijgt de 4 stagioni, de jongens Maggi delen een Margarita, maar mogen wel alles wat de 4 stagioni eetbaar maakt van hun vaders pizza halen. In de Volkskrant is een discussie losgebarsten over de vraag hoe je drie pannenkoeken met z’n achten verdeelt. Een briefschrijver schreef zaterdag, dat zijn nieuw rekenende nichtje moeite had met deze som. 3 pannenkoeken. 8 personen. Zou je daar inmiddels al op kunnen afstuderen? Greetje Strooplepel gaat sinds 20 december als drs. Strooplepel door het leven, omdat ze in haar paper ‘Naar een rechtvaardiger verdeling van een Hollandse klassieker’ aantoonde dat de klassieke oplossingsmethodieken geen recht doen aan de meerkantige en gecompliceerde realiteit van het Nederland anno 2010. Oudere Nederlanders weten dan misschien wel hoe ze deze som moeten oplossen, maar ze begrijpen niet hoe ze tot die oplossing komen. Een onwenselijke situatie, vindt drs. Strooplepel. Ze pleit voor een realistischer aanpak en schrijft in haar aanbevelingen onder andere ‘Het zou het rekenkundig begrip van de leerling ten goede komen als de docent in voorbereiding op de meer abstracte vormen van rekenonderwijs de kinderen eerst eens laat ervaren wat een pannenkoek is.’ In de bijlage treft de lezer naast een recept voor pannenkoeken ook een lijst met winkels waar kindvriendelijk bestek wordt verkocht. De scriptiebegeleider is in zijn praatje bij de buluitreiking een en al lof. Dat de rekenvoorbeelden die de jonge doctoranda geeft allemaal naar een foute oplossing leidden, heeft hem er niet van weerhouden zijn studente voor te dragen voor een feestelijk ‘cum laude’. ‘Je moet het grote plaatje altijd in het oog houden,’ zegt hij.

De bezorgde briefschrijver in de zaterdagkrant heeft daar moeite mee. Hij vindt dat iemand met een HBO-diploma eigenlijk moet weten dat drie gedeeld door acht 3/8 is en geen 3/24ste. Leermoment, dacht ik toen ik zondagochtend zijn brief las. Ik leg de jonge Maggi’s (6 en 8 ) de vraag voor: als je drie margarita’s mag verdelen met z’n achten, hoeveel krijgt iedereen dan. Maggi jr. tekent drie pizza’s, verdeelt die elk in acht stukken en bedenkt dan hoeveel stukjes ieder van de acht aanwezigen krijgt. Zijn broertje (6) is sneller. ‘Drie’ roept hij. Er is hoop, denk ik opgelucht.

Vanochtend mengt Mark Jellinek uit Grolloo zich op de opiniepagina in de discussie met een verrassend nieuw antwoord: ‘Beide antwoorden zijn juist, maar onvolledig. Juiste en volledige antwoorden zijn: elk kind krijgt 3/8 van de oppervlakte van één pannenkoek en elk kind krijgt 3/24 van de oppervlakte van de drie pannenkoeken samen.‘ Als je even doordenkt, begrijp je wel wat hij bedoelt. Om 3 pannenkoeken te verdelen moet je ze inderdaad in 24 stukken delen. En tja, als je dat hebt gedaan en ze stuk voor stuk ronddeelt dan krijgt ieder kind drie van de 24 delen, ofwel 3/24ste = 1/8ste van de totale hoeveelheid pannenkoeken. Die moet je dan wel weer met 3 vermenigvuldigen om de vraag te beantwoorden hoeveel delen ieder kind van 1 pannenkoek krijgt. Het antwoord is dus: van de 24 stukjes krijgt ieder kind er drie. Die drie stukjes vormen tezamen 3/8 van 1 pannenkoek. Wat een omslachtige manier van rekenen! Vooral als je bedenkt dat je in abstractere berekeningen niet altijd een stapel pannenkoeken of pizza’s bij de hand hebt, om de proef op de som te nemen. Eenvoud is het kenmerk van het ware. Drie gedeeld door acht is 3/8. Dat kun je een onvolledig antwoord noemen, maar het brengt kinderen niet op zijwegen die van de oplossing afleiden. Je deelt de pannenkoek tenslotte met z’n achten, niet met z’n vierentwintigen.

Published by admin, on January 11th, 2010 at 2:47 pm. Filled under: Uncategorized1 Comment

Little children Ned. 2, 22.50 u.

Vrijdagochtend. Vroeg op dus alle tijd voor de cultuurbijlage. Het kan te maken hebben met dat laatste glas van gisteravond, maar het meningencircus valt me vanochtend zwaar op de maag. Het is goed dat er kritiek is. Als kunstenaar wil je - denk ik - graag weten of je er wat van hebt gebakken. Kranten en tijdschriften betalen critici voor hun scherpe blik en kennis van zaken. In een ideale wereld leidt dat tot betere kunst. Een criticus houdt het kunstwerk (film, roman, schilderij) tegen het licht, toetst het aan de bedoelingen van de kunstenaar, aan de tijdgeest, aan het niveau van de kunsten in het land van de maker, aan weet ik wat en schrijft op wat hij heeft waargenomen. Hij ontkomt er in diezelfde ideale wereld niet aan argumenten aan te voeren. Klotefilm, kolereboek, kutkunst alleen is niet genoeg. In de loop van de tijd leer je je critici kennen. Ik heb een handjevol recensenten die ik al lang genoeg volg om me niet te veel meer te bekommeren om hun argumentatie.  Het omgekeerde (nee ik noem geen namen) komt ook voor. Op de pagina met ‘tips’ voor films schrijft de aanbeveler van dienst over een film die ik heb gezien:  ’Regisseur Todd Field (In the bedroom) schetst een adequaat maar niet bijster origineel beeld van worstelende jonge ouders en probeert geforceerd spanning toe te voegen middels de komst van een pedofiel (een fantastische rol van Jackie Earle Haley, dat wel.) Het is allemaal net iets te vet, tot het bespottelijke einde waarmee de film helaas als een zeepbel uit elkaar spat.‘  Die film is ‘Little children’, een van de beste filmhuisfilms die ik ooit heb gezien. Het moment waarop ´de zeepbel uit elkaar spat´ is in mijn beleving de huiveringwekkende en tegelijk ontroerende consequentie van de sociale realiteit, waarin niet voor iedereen plaats blijkt te zijn. Niet origineel? Een pedoseksueel, die na een avondje uit naast een volwassen, voorzichtig optimistische, vrouw in haar auto masturbeert had ik nog niet eerder gezien. Beweren dat door het inzetten van die man geforceerd spanning wordt toegevoegd, is niet alleen in strijd met de (Eindhovense) actualiteit, maar ook net zo merkwaardig als beweren dat de komst van Ingrid Bergman in Casablanca op een geforceerde manier romantiek in de film beoogt te brengen. Little children gaat over de wetten en bezwaren die zich onvermijdelijk tussen droom en daad wurmen. Dat krijgt op een mooie en overtuigende manier gestalte in de persoon van de pedosueel. Todd Field dwingt je in een ongemakkelijk soort empathie tav deze pervert. Origineel, niet vet, geen zeepbel, erg spannend. Het maakt mij niet uit wie u gelooft. Maar ik hoop wel dat u met mij vindt, dat niemand wat heeft aan zulke grote oordelen als die zonder argumenten op de onwetende kijker worden afgevuurd. Rest nog de vraag waarom EM deze film als ‘tip’ op de tv-pagina zet. Wie het weet, mag het zeggen.

Published by admin, on January 8th, 2010 at 12:13 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

het geheim van de palingsound

Neem het de hoofdverpleger (Groenlo, 15 oktober 1977) eens kwalijk dat hij niet weet wie Nico Haak is. ‘Als ze me missen’ - Haaks laatste hit en niet eens een grote - stond in 1984 precies vier weken in de hitparade. Hoogste notering: een dertigste plaats. Altijd nog beter dan Foreigner dat met ‘I wanna know what love is’ een plaats lager is geëindigd in de jaarlijst. Van Haak werd daarna niets meer vernomen. En al zou ‘als ze me missen’ in het laatste jaar van de middelbare school (Lyceum Gelderland-Oost ‘Oost-West-Oost-Best yeah!’) een half jaar op één hebben gestaan, dan nog was de kans klein dat de hoofdverpleger zijn naam zou hebben onthouden. Hij houdt meer van experimentele muziek. Eigentijdse composities met een scherp randje. Étant donné van Duchamp, uitgevoerd door John Zorn. Daar heeft zijn achternichtje Renée Kortenes (Oudewater, 26 februari 1989) dan weer nooit van gehoord. Nog een maand en dan wordt ze 20. Ze gaat het groot vieren in een feestzaal in Utrecht, de stad waar ze sinds twee jaar een kamer huurt van een zwijgzame Volendammer met onwaarschijnlijk veel vastgoed in de Utrechtse binnenstad. Hij heet Smit van zijn achternaam – inderdaad familie, maar ver weg -. Deze Smit nu is net gescheiden van een pront wijfie dat hij op de Volendammer kermis had veroverd op een bleek kereltje uit Swifterbant dat speciaal naar Volendam gekomen was om bij Jan Keizer te informeren naar ‘het geheim van de palingsound’.

Published by admin, on January 5th, 2010 at 3:34 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

Oom Melnitz

Raphael Evers, rabbijn van het Nederlans Israëlitisch Kerkgenootschap en rector van het Nederlands Israëlitisch Seminarium, wil geen Duitsers bij de Dodenherdenking op 4 mei. Hij schrijft op de opniepagina van De Volkskrant ‘Wanneer de Nederlandse overheid Duitsers uitnodigt, wordt de indruk gewekt, dat het ‘allemaal niet zo erg was’ of dat het in ieder geval nu, 65 jaar nadien, ‘niet zo erg meer is’. Een vreemde redenering, vind ik. De aanwezigheid van de ambassadeur betekent volgens mij juist dat ook in Duitsland tot op het allerhoogste niveau de opvatting leeft dat het ‘wel heel erg was’. Het is begrijpelijk dat Evers ervoor pleit dat we rekening houden met de gevoelens van de overlevenden van de holocaust, hun kinderen en kleinkinderen. Maar er komt een moment, in 2010, 2045 of 2090, waarop de holocaust geschiedenis wordt. Zoals ook 1648, het jaar waarover Oom Melnitz vertelt in ‘Het lot van de familie Meijer’, het jaar van beestachtige moordpartijen door de Kozakken van Bogdan Chmielnicki. Oom Melnitz was erbij. Hij spookt bij zijn Joodse nazaten om ze te waarschuwen voor de haat die de Joden al eeuwen achtervolgt. Hij is een belangrijk personage, een boodschapper. Toch portretteert Lewinsky hem als een duistere schim op de achtergrond in een boek dat volgens mij vooral een (romantische) lofzang is op het leven. Freek de Jonge zei lang geleden: ‘als je nu nog tobt over Hitler, dan heeft hij de oorlog toch een beetje gewonnen.’ Ik zou zeggen: als je alleen Oom Melnitz uitnodigt bij de dodenherdenking, dan geef je Bogdan C. en zijn duistere helpers te veel eer. We moeten ons langzaamaan toch gaan afvragen voor wie we elk jaar weer onze rouwkransen leggen. Ik heb nog twee levende familieleden die de verschrikkingen aan den lijve hebben ondervonden. Beiden hebben inmiddels achterkleinkinderen. Het zou toch mooi zijn als die gewoon hand in hand met hun Duitse generatiegenoten mogen besluiten dat het anti-semitisme in onze contreien verworden is tot marginale folklore van een clubje diep-debielen. Misschien dat Oom Melnitz (’altijd als hij gestorven was, kwam hij weer terug’) dan eindelijk in vrede mag rusten. Het gevaar dat we vergeten wat er tussen 1933 en 1945 in Duitsland heeft plaatsgevonden lijkt me niet zo groot. De inwoners van een hele natie uitsluiten van herdenkingen op basis van hun nationaliteit wel. Ik geloof niet dat iemand er wat aan heeft als we doen of het organiseren van genocide een exclusief Duitse specialiteit is.

Published by admin, on January 4th, 2010 at 11:13 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Freek

Ik heb gekeken en een paar keer erg hard gelachen. ‘Grip op griep. Niet iedere taalvirtuoos gaat naar het toneel.’ Freek de Jonge is 65 geworden en probeert zijn kleinkinderen uit te leggen ‘wat opa ís’. ‘Opa is een heel vervelende status. Oma is lief, die hoeft verder ook niks te zijn. Maar opa. Wat doet opa? dat wilden ze weten. Wat doet opa, wat ís opa? Ik zeg: ga maar even zitten - de kinderen zijn vijf en drie - Ik zeg: ‘opa is een van de belangrijkste na-oorlogse cabaretiers. Opa heeft met zijn rode draad het cabaret in Nederland een totaal ander aanzien gegeven. Die kinderen zijn niet geïnteresseerd. Totaal geen concentratie. Mijn probleem is dat ik altijd te intelligent wil overkomen. Terwijl, als je in Nederland geliefd wil raken moet je zo dom mogelijk overkomen. Frans Bauer is een lichtend voorbeeld. Is al zes maanden bezig om van energiemaatschappij te ruilen. Zes maanden! (…) Uiteindelijk zijn we tot de conclusie gekomen: opa is een clown. Een clown! Daar was opa niet echt blij mee.’ Veel verderop,  na een terecht genadeloze karikatuur van de zorg in Nederland (’een van de fijnmazigste infrastructuren ter wereld)  wandelt een kliniclown de ziekenzaal van zijn geopereerde kleinkind binnen. ‘En die kliniclown doet iets… vanaf dat moment hoeven de kleinkinderen opa nooit meer te zien. Mooi terzijde: om een post traumatisch stress syndroom te voorkomen, trekt een stoet van zorgverleners voorbij die tezamen garant staan voor een pre-traumatisch stress syndroom.

De rode draad was ‘geduld’. Een spirituele boodschap uit een boekje dat Freek (ik mag Freek zeggen) naar eigen zeggen van Ramses Shaffy had gekregen. Mopperaars zullen zeggen: ‘gedateerd. Niks nieuws.’ Maar Freek haalt zulke mopperaars - waarschijnlijk onbedoeld - de wind uit de zeilen met een schitterende tirade over radio 1 en ‘ranking the news’. Zijn conclusie: ‘er is geen nieuws’. Ik denk zelf: iemand op een podium met een verhaal die de vette lach soms even durft te laten liggen voor ontroering en bespiegeling, dat moet voor veel jonge mensen toch een verademend nieuwtje zijn. http://player.omroep.nl/?aflID=10468626

Published by admin, on January 2nd, 2010 at 11:07 am. Filled under: Uncategorized2 Comments

Koken met Kader

Apple stuurt een reclamemailtje: ‘als het niet onder de boom lag, kun je het vandaag gewoon in de Macstore komen kopen’. Een onbedoelde maar prachtige samenvatting van de loze rituelen waartoe de vroege 21ste eeuwer is vervallen. Als je niet goed hebt gegeten met de kerst, kun je vandaag weer lekker zelf koken. Als je geen leuke familie hebt, ga je vanavond gewoon bij je eigen vrienden langs. Als je niet van dennenbomen houdt, koop je vandaag een berk of populier bij tuincentrum Osdorp. ‘Deze generatie vindt nooit meer iets bijzonder,’ verzuchtte zus Maggi eens. Zus Maggi leest een andere krant. Anders had ze wel geweten dat de bijzonderheden voor het oprapen liggen, als je je maar even wilt bukken om ze van de deurmat te halen.Kader heeft zich uitgesloofd om ons een uitgewogen kerstdiner voor te zetten. Al bij de amuse voel je: dit wordt iets bijzonders. De eerste regel:

‘De tijd wordt gemarkeerd, er gebeurt iets nieuws. Van de mensen wordt een antwoord gevraagd om dit geschenk.’ (de paus.)’

Precies zo staat het er. Dat maakt nieuwsgierig naar het hoofdgerecht, waar of niet? De tijd wordt gemarkeerd, er gebeurt iets nieuws en de mensen moeten antwoord geven op een geschenk.  Onbegrijpelijk lekker! Als je zelf culinair bent aangelegd wil je natuurlijk weten wat er in zit. Sommige gastgevers - heb je horen fluisteren - halen hun amuses kant en klaar bij de C1000. Dat zou Kader nooit doen, denk je. Of toch? Jawel! Dit juweeltje is een citaat. Van niemand minder dan Kaders nieuwe vriend, de Paus. Trouwe Kader-eters weten dat Kader een week of wat geleden met een groene sjaal om in de rij mocht staan om in de verte naar de paus te kijken. Sindsdien rekent hij Zijne Onfeilbaarheid tot zijn intieme vrienden. Hij leest zelfs een ‘mysterieus boek genaamd Jezus van Nazareth’ van de Paus. Maar ho! Eerst nog even de lepel aflikken.

Zijn bewakers overmeesterden de vrouw en de kardinalen hielpen de paus overeind, gaven hem zijn mooie hoge hoed terug en overhandigden hem zijn historische gouden staf, die iets verderop op de grond lag.’

Hee, denkt u, ik proef iets bekends. Dat klopt. Het was op de televisie. Twee miljard mensen hebben het gezien. Maar dat betekent nog niet dat Kader erover moet zwijgen natuurlijk. Liever niet, want dan missen wij Volkskrantlezers die ‘mooie hoge hoed’ en die ‘historische gouden staf’. Ziet u ze voor u?

Tijd voor de soep. Heldere bouillon verwacht niemand van Kader. Maar hij verrast toch weer met

Het boek Jezus van Nazareth is een levenslange studie van de paus. Velen zullen het misschien niet volhouden, maar met ontzag blijf ik stilstaan bij sommige frases: ‘Zonder verankering in God blijft de persoon van Jezus vaag, onwerkelijk en onverklaarbaar (…) De Evangelies willen de geheimvolle, op aarde verschenen Zoon van God als het ware met vlees omkleden.’

Alsof er een engeltje over je tong piest! Daar moet hij hulp bij hebben gehad, denk je. En ja, zo is het. Beetje van hemzelf, beetje van Rudolf Schnackenburg, die Kaders kruidenbuiltje met een handjevol krulvermicelli weet op te peppen tot een goddelijk soepje. Kader ontkent niks. Integendeel. Met ingehouden trots stelt hij zijn sous-chef aan ons voor: Rudolf Schnackenburg, de belangrijkste Duitstalige katholieke exegeet uit de tweede helft van de vorige eeuw.‘ Dat klinkt zuinig en bescheiden, vind ik: Duitstalig, katholiek en uit de vorige eeuw, de tweede helft nog wel. Niet helemaal Jonnie Boer, maar toch a force to be reckoned with. Althans door ons stervelingen. In de ogen van Kader, Jonnie Boer en de Paus is het maar een kleine jongen natuurlijk.

Dat merk je pas als Kader met een zwierig ‘Tataaaa!’ het hoofdgerecht op tafel zet. Beetje van de Paus, beetje van Kader. ´Nu de paus: ‘Ze hoeven hem niet met vlees te omkleden, Rudolf Schnackenburg. Hij had werkelijk vlees aangenomen. Maar de vraag die overblijft, is: kunnen we dit vlees vinden?’ Een mooie schotel, cooked to perfection. En helemaal hemels in combinatie met het subtiel gekruide bijgerecht:

Ik zie zijn boek als mijn eigen vondst en ben jaloers op hem als auteur, waardoor ik gierig zijn tekst met niemand wil delen. Maar nu hij in de Sint Pietersbasiliek op de grond gevallen is, geef ik u een passage van zijn boek als geschenk voor een voorspoedig nieuwjaar en om zijn pijn te verzachten.’

Ik word duizelig van genot. Zo’n rijk palet aan smaken! Het beeld van de gevallen paus die van de gulle Kader ter vertroosting een citaat uit eigen doos krijgt. En wij mogen ook delen in de wonderbaarlijke vermenigvuldiging van Kaders genade. OMDAT de paus gevallen is. Begrijpt u wel? (Als u het niet begrijpt: geen man overboord. Het is niet iedereen gegeven de goddelijke mysteries van de kattelieke kerk te doorgronden.)

Er is nog meer. In zijn groene schort haast Kader zich naar de koelkast om terug te keren met een goudgerand schaaltje. Daarop de woorden:

‘Mozes mocht als mens God niet zien, waar staat Jezus? Wie Jezus ziet, ziet de Vader (Joh. 14,9).’Wow!‘*

Wow indeed! Dit is het moment waarop je besluit mes en vork neer te leggen en een beetje ruimte over te houden voor het dessert. Een wijs besluit. Want hoewel je dacht dat de maaltijd over zijn hoogtepunt heen was, weet de man met het groene schort je toch nog te verrassen met een Ferrero Rocher van eigen makelij. De camera zwenkt van de gevallen Paus en de vleesgeworden Jezus naar het verre vaderland. Een criticus zou zeggen dat dit chocolaatje een vreemd vervolg is op de gezouten hoofdmaaltijd. Maar Jonnie, Kader, de Paus, u en ik weten beter. Dit is waarachtige Très Haute Cuisine. Je vous présente le déssert:

‘Gisteren waren er veel demonstraties in Iran. Er zijn opnieuw doden gevallen in Teheran. Wat een jonge dappere generatie!’

 De volgende Mirza verschijnt op 4 januari. Vuurpijlen, de Paus, 7000 jaar Perzische beschaving, champagne, vreugdevuren en goede voornemens. U ziet ze ongetwijfeld terug in Kaders befaamde oliebollenmix. Een zaliger uiteinde lijkt mij ondenkbaar.

 

Published by admin, on December 28th, 2009 at 11:01 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Zonder titel

kersttafel

Published by admin, on December 26th, 2009 at 10:21 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

de kerstkaartenmachine

anton_pieck_kerstfeestEerlijk zeggen: hoe vaak heeft u de afgelopen week met plezier in het hart een envelop geopend en blij gezucht  ‘ach kijk wat leuk, een kaartje van tante Agnes’ ? Als u geen tante Agnes heeft, mag u haar naam ook vervangen door ‘oom Zacharias, de oude buurvrouw uit de Soendastraat, neef Kobus van Jet van tante Emma, of de tandarts die u tegelijk attent maakt op zijn afwezigheid. ‘12 januari zijn we er weer’. Kerstkaartjes zijn erger dan de reclamefolders van Pizzeria Ankara. Daar kun je je theoretisch tegen wapenen met een NEE NEE-sticker. De bezorger van pizzeria Ankara spreekt geen Nederlands en kan ook in zijn moedertaal niet lezen, dus die folders die komen er wel. Maar dan kun je tenminste nog zijn baas bellen. Die roept enthousiast ´ís góed´ en stuurt een van zijn medewerkers langs met een quatro stagione vol Turkse worst. Die moet je dan wel weer zelf betalen, maar op dat moment heb jij - zoals mijn motorrijinstructeur dat noemde - ‘de regie in handen’. Bezorgers zijn het elitecorps van de Turkse Italiaan. Die spreken 40 woorden Nederlands, genoeg om te begrijpen wat ‘Geen reclame’ betekent. Die pizza is afgezien van de rauwe paprika en ui best te eten en jij bent blij dat je in elk geval iets hebt kunnen doen. Met kerstkaarten ligt het helaas allemaal een stuk ingewikkelder. Jet van tante Emma heeft - net als vorig jaar en het jaar daarvoor - geen gemakkelijk jaar gehad. De therapie is wel aangeslagen, ze doet weer zelf de boodschappen en laat met die kerstkaart zien dat ze langzaam weer klaar begint te raken voor wat directere vormen van intermenselijk contact. U stuurt haar geen kaart terug (want voor je het weet, belt ze op en vraagt ze wat jullie doen met Oud en Nieuw) maar de kaart ongeopend retour sturen is geen optie. Het aantal zelfdodingen piekt rond de kerstdagen en daar wil je niet per se het jouwe aan bijdragen. In het sociale verkeer geldt overal de voor-wat-hoort-wat regel. Je stuurt geboortekaartjes rond en krijgt een felicitatie retour. Je kind nodigt iemand uit voor een feestje met goochelaar en krijgt een uitnodiging voor een feestje met goochelaar terug. Je haalt vijf biertjes voor je vrienden, je krijgt er vijf terug. Helder. Het omgekeerde geldt ook. Je nodigt nicht Neelie niet uit voor je verloving, dan mag je ook niet op de hare komen. Met kerstkaartjes ligt het anders. Ik maak er al sinds mijn achttiende een luidruchtig punt van dat je mij geen plezier doet met een schuddebuikende sneeuwpop, een olijke kerstman, of een romantisch winterlandschap uit de laboratoria van Dr. Hallmark. Ik neem sowieso aan dat de mensen mij het allerbeste wensen. Ik ben in mijn eentje goed voor 25 inwisselbare kaarten met evenzovele inwisselbare kerstgroeten. Dat sommige mensen proberen hun kerstboodschap wat ‘persoonlijker’ te maken door hun kinderen met een kerstmuts op de foto te zetten, maakt het voor mij niet beter. Het is een vreugdeloos en bewerkelijk ritueel dat veel inspanning kost, maar in termen van menselijk contact niks oplevert. Ik maak er al 25 jaar een punt van. Toch blijven ze binnenstromen. Wie gelooft in de goede bedoelingen van zijn medemens denkt nu: wat een heerlijk onbaatzuchtige vrienden heeft die Maggi. Ik denk dat het anders zit. Ik denk dat het gewoon meer energie kost om de kerstkaartenmachine stil te zetten voor die zonderling, die zich maar blijft verzetten tegen loos vertoon van hartelijkheid, dan om hem mee te nemen in de volledig geautomatiseerde mailing. Een paar jaar geleden riep Hare Majesteit in haar kerstboodschap op om eens wat vaker een persoonlijke, handgeschreven brief te schrijven. Een oproep die in rul zand neerplofte. Begrijpelijk. U dacht: ik heb net 75 handgeschreven berichten de deur uitgedaan. Ik doe mijn plicht. Maar zo is het niet. De waarheid is hard: u vindt het een bezoeking om elk jaar die kaartjes te schrijven, voor degene die u een kaartje terugstuurt geldt hetzelfde. Er zijn - gunstig gerekend - vijf uitzonderingen. Uw lievelingszus en vier vrienden. Stuur die nou volgend jaar eens een brief waarin u iets schrijft over wat u werkelijk bezighoudt. Een investering die zichzelf snel terugverdient, want een handgeschreven brief met echte stukjes leven is een kostbaar geschenk. Voor wat hoort wat.

Published by admin, on December 21st, 2009 at 10:27 am. Filled under: Uncategorized2 Comments

De Verenigde Emeritaten

In de hedensochtendse Volkskrant houdt Bernard van Praag een dapper pleidooi voor een loonmatiging bij oudere werknemers. Ik denk dat onmiddellijke afschaffing van de hypotheekrenteaftrek, gekoppeld aan verviervoudiging van de benzineprijs en wegenbelasting onder gelijktijdige invoering van het rekeningrijden politiek gezien een stuk haalbaarder is. Vandaar: dapper. Ik moet eerlijk zeggen dat ik tot vanochtend nooit van Bernard van Praag gehoord. Gelukkig plaatst de VK zijn credits onder zijn vlammende betoog: ‘Bernhard van Praag is emeritus universiteitshoogleraar toegepaste economie aan de Universiteit van Amsterdam´. Ik schiet niet meteen in een stuip van kwijlende bewondering als ik dat lees. Dat komt door dat ´universiteitshoogleraar´ dat op mij een tikje pleonastisch overkomt, een beetje zoals ´spuitgast bij de brandweer´. De titelinflatie grijpt om zich heen en het zou mij niet verbazen als er inmiddels mannen zijn die hun autoriteit kracht bij zetten door zichzelf ´emeritus hoogleraar aan de openbare basisschool ´t Meikoninkje´te noemen. Ik ben bang dat Bernard van Praag een poging deed om duidelijk te maken dat hij er nog wel een is met zo´n mooie jurk en een kekke baret. Het staat er wat onhandig, maar op zich ben ik niet vies van zulk professoraal autoriteitsvertoon. Some pigs are more equal than others.  De emeritus hoogleraar (heb ik wel eens verteld dat een boven mij geplaatste directeur in een door mij geschreven speech emeritus uitsprak als ‘emeritius’? Een verhaal dat nog wordt overtroffen door dat van een bevriende emeritius-Pabo-docent die een collega hoorde spreken over de Verenigde Arabische Emeritaten), Bernard van Praag begint zijn pleidooi aldus: ‘Er zijn in onze beschaafde samenleving een aantal politiek-correcte taboes die niet straffeloos doorbroken kunnen worden.’  Nou kun je zeggen: hij is geen emeritatus universiteitshoogleraar in de taalkunde, maar taboes die je zonder consequenties kunt doorbreken zijn slappe taboes natuurlijk. Dan kom je toch in de sfeer van het taboe op het koken van vrije uitloopeieren. Daarbij is ´politiek-correct´ zo goed als synoniem aan taboe. BvP had dus sterker kunnen inzetten met een simpel: ‘Er bestaan in onze beschaafde samenleving opvattingen waar je het niet straffeloos mee oneens kunt zijn.’ Dat ‘beschaafde’ kan ook nog wel weg. Als we eerlijk zijn kan die hele zin wel weg, want er staat niks in dat wij, niet-emiraten, niet allang wisten. Heb je bij zoveel klaarblijkelijke retoriek nog zin om verder te lezen? Ik wel! Er zitten nog veel snoepjes in die Van Praags weinig verrassende stelling (als mensen ouder worden, produceren ze minder, vreemd dat ze daar dan wel steeds meer voor betaald krijgen) schitterend illustreren. Wat verdient een emeritus universiteitshoogleraar die zinnen bakt als ‘Zolang het aantal niet meer zo blonde werkers in de beroepsbevolking laag was, konden wij ons de luxe en solidariteit veroorloven de beloning aan het eind van het werkzame leven niet te laten dalen’? Een zin waar ik uit solidariteit misschien nog een eurostuiver zou geven. Maar voor:  ‘Het is echter heel wat anders om deze onaangename waarheid als betrekking hebbende op de eigen persoon onder ogen te moeten zien‘ gooi ik niks in Van Praags rammelende bus. Loze gelijkhebberigheid van een man die zijn schaapjes op het droge heeft, maar niet de behoefte voelt zijn gemakkelijke gelijk in leesbaar Nederlands te formuleren. Dat hij in de laatste alinea roept dat Donners geluid niet nieuw is, dat er zestien jaar geleden al een roepende in de politiek-correcte woestijn was die het aandurfde om het taboe te doorbreken, komt niet als een verrassing. U kunt vast wel raden wie die roepende emeritus universiteitshoogleraar was. Vanitas etc.

Published by admin, on December 16th, 2009 at 10:35 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Tieten

Het mooiste van Patricia Paaij vind ik haar hitje uit 1932 ‘je bent niet hip / je bent niet vlot / je ouwe fiets die is altijd kapot / je hebt een baan warvan je zegt / hij is niet goed / en hij is niet slecht / maar jij bent lief en reuzetrouw / jij hoort bij mij / en ik bij jou’. Dat gaf je als jongen, die het lied in 1946 voor het eerst hoorde op de grammofoonspeler het gevoel dat zelfs jij nog een kans had bij warmbloedige meisjes zoals Patricia. Dat gevoel was helemaal weg toen ik - ich bin doch auch nur ein Mann - gisteren (vrouw Maggi het huis uit, de kinderen naar bed) even stiekem langs de veelbesproken uitzending van DWDD surfte. La Paaij is een ongenaakbare Grande Dame geworden die zich zelfs te goed voelt voor Theo Maassen, meneer Tibbe uit Minoes, een slungel die met een door zijn moeder gebreide sjaal door Killendoorn fietst om de boze meneer Ellemeet eens een lesje te leren. Ik heb het gevoel dat de 80-jarige Patries nu niet meer de kant van de man met de fiets zou kiezen, maar zich kopjes gevend tegen de rijke schouder van Ellemeet zou vleien. Ze liet duidelijk blijken dat ze Maassen maar een ‘nobody’ vond. Niet hip, niet knap en ook al niet beroemd. Tja., dan houdt het op. Jammer dat Maassen zich even liet gaan met een grap die het Paaij te makkelijk maakte om mee te surfen op de verontwaardiging van publiek, presentator en op het gestotter van Playboy-baas Jan Heemskerk. Want Maassen had natuurlijk wel een punt: op een gegeven moment moet je het verval van je lichaam aangrijpen om je op de binnenkant te kunnen concentreren. Dat Paaij zei dat het ook allebei kan, mij lijkt het sterk. Er is in dit land, in deze wereld grote behoefte aan mensen die het aandurven oud en lelijk te zijn. (Ik zie daarin nog wel een rol voor mezelf weggelegd). En als Paaij het allebei kan, waarom laat ze dát dan niet zien. Dat ook, naast een paar gefotosjopte tieten. There I said it! Ik word altijd een beetje emosjoneel als het over borsten gaat. Vroeger kon ik hele avonden met mijn vrienden over borsten praten. Wij waren borstenmannen. Tegenwoordig hebben de meeste van mijn vrienden grotere borsten dan Paaij. Dan wordt het tijd om het over andere dingen te hebben. (toch niet vergeten hier Monty Python te citeren, die over Henry Kissinger zong:  ‘But you’ve got nicer legs than Hitler and bigger tits than Cher’.

Published by admin, on December 11th, 2009 at 10:20 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Stemadvies woord van het jaar

Van Dale en Dagblad De Pers zijn een publiciteitsoffensief begonnen om zoveel mogelijk mensen aan te sporen te stemmen voor het woord van 2009.  Dit is de shortlist: griepcommissaris, hypotheekleed, Mexicaanse griep, oeps-gebied, ontvrienden, recessionista, spuugkit, tomtomburger, twitterazzo, zeilmeisje. Griepcommissaris, oeps-gebied, spuugkit, tomtomburger en twitterazzo zag ik voor het eerst. Enige gebruiksfrequentie lijkt me wel een voorwaarde, dus die vallen wat mij betreft af. Grote verliezer lijkt mij de tomtomburger, een uitvinding (leve google) van de partij van Thomthom De Graaf. De tomtomburger is (bron: Trouw.nl) een burger ‘die precies van de overheid wil weten hoe zijn (levens)weg loopt’. Ik heb ook een tomtom, maar het interesseert me geen mallemoerskont hoe mijn weg verloopt, als ik maar uitkom op de plek die ik zelf heb ingetoetst. Ook in overdrachtelijke zin lijkt me dat geen onredelijke eis. De overheid verwacht dat ik (wegen)belasting betaal, heft accijns over de wijn en whisky die ik drink voordat ik achter het stuur kruip en laat me de eerste 150 euro of zowat van de medicijnen die ik gebruik zelf bekostigen. Mag ik daar tegen het eind van mijn leven (op de plek van bestemming) een onsje zekerheid voor terugverwachten? En trouwens: wat is er mis met de oude wieg-tot-grafmetafoor? Daar zit alles in wat de moderne burger nodig heeft. Spuugkit gaat het volgens mij ook niet redden. Het zegt wel iets over de boze tijden waarin wij leven. Maar hoe vaak heeft u gedacht: had die chauffeur nou maar een spuugkit, dan was die perfide kwatter d’r stinkend bij? Het oeps-gebied (bron wederom Trouw.nl) heeft wel kroegpotentieel. ‘Ik vind die blonde wel lekker, maar mijn oeps-gebied zegt me dat ik beter m’n jas kan gaan halen’. Twitterazzo is ook niet slecht. Ik woon in een buurt waar nogal eens een helicopter boven cirkelt. Als je moet wachten op het journaal, zijn er in de tussentijd alweer twee nieuwe ramkraken geweest. Dankzij de twitterazzi ben ik tegenwoordig vrij snel op de hoogte van het wat en waar van de gepleegde overval. Nuttig. Griepcommissaris is een Vlaams woord dat mijn verbeelding prikkelt. Maar de Mex-griep haalt het eind van dit mediajaar niet, laat staan dat we de raad van griepcommissarissen nog vaak bijeen zullen zien. Recessionista is een woordspelige variant op ’fashionista’. Wie geen geld heeft om de laatste mode te kopen, trekt wat ouds aan. Dat deden u en ik toch al. Het lijkt me geen woord dat besteed is aan mensen die de moeite nemen om een taalsite te bezoeken en daar hun stem uit te brengen. Hypotheekleed bestaat al zolang er monopoly is. Bovendien zijn er ook mensen zoals schrijver dezes die van de bank geen lening krijgen omdat ze geen regelmatig inkomen hebben. Ook een vorm van hypotheekleed, waar het gezin Maggi al lang voor 2009 onder gebukt ging. Zeilmeisje, tot slot, lijkt me niet echt een nieuw woord. Het heeft een specifiekere betekenis gekregen door de zevenjarige Laura die met toestemming van haar vader naar sprookjesland wilde zeilen. Dat is uiteindelijk niet gebeurd. Volgend jaar is ze alweer acht en is het geen nieuws meer. De kans dat er onder zevenjarige meisjes een zeilepidemie losbarst, is niet zo groot. Daarmee verdwijnt het zeilmeisje in de golven van de tijd en blijft voor ons alleen ‘ontvrienden’ als serieuze kandidaat over. Na de eerste opwinding over al die loze digitale netwerken  is in 2009 het besef gekomen dat vriendschap niet bij de gratie van getallen alleen bestaat. Wie te veel op op Hyves rondhangt, heeft off-line een serieus sociaal probleem: ‘ik heb duizend vrienden op Facebook, maar ik durf niemand te vertellen dat ik bang ben in het donker’. Smaller is better. Liever een vriend in de kroeg dan honderd op LinkedIn. Vandaar dat veel early adopters nu begonnen zijn hun vriendenboekje op te schonen. In Amerika (Amerika!) worden al bonussen gegeven ter waarde van 1 hamburger voor iedere tien geloosde vrienden. Ontvrienden is daarmee de meest geloofwaardige en zeitgeistige kandidaat. Voor 2010 geef ik u alvast een woord om aan te ruiken. Een kanshebber, bedacht door mijn Facebook-vriendin en ex-collega Aly Freije: ‘rollatorassertiviteit’. Mooi hè?

 www.woordvanhetjaar.nl

Published by admin, on December 7th, 2009 at 9:14 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

Why come to Grunn?

Het gezellige Zuiderdiep

Het gezellige Zuiderdiep

Ik ben een liefhebber van Malcolm Bradbury’s ‘Why come to Slaka?’ een genadeloze parodie op de propaganda van het voormalig Oostblok, in de vorm van een fictieve reisgids. “Our serving women have girded their loins for the purpose of pleasuring you.” Als de winterschilder aanbelt, ploft ook de ochtendkrant op de mat. Dubbel feest: de halfjaarlijkse luxe glimmende Why come to Groningen-brochure zit erbij. Nou heb ik zelf helemaal geen luxe brochure nodig om mij aan te zetten tot een bezoek aan Grunn. Ik heb er dertien jaar gewoond en als het lot en mevrouw Maggi niet anders hadden beslist woonde ik er nog steeds. Maar ik weet dat westerlingen soms een duwtje nodig hebben, omdat ze denken dat Groningen verder weg ligt dan pak ze beet Gent, Parijs en Maastricht. Of omdat ze niet weten dat je in Groningen leuk kunt winkelen, uitgaan en dat ze er een echt museum hebben met echte kunst. Speciaal voor zulke randstedelijke debielen presenteert Groningen zich 2 x per jaar op z’n allerhipst. Het begint al op het voorplat waar een hippe jongen in een glazen bol (Martinitoren op de achtergrond voor de herkenbaarheid) op de besneeuwde Grote Markt in een microfoon schreeuwt. Hij trekt er een kop bij of hij klaarkomt, een wee moet opvangen of zeer uitbundig zit te schijten. ‘D’r mot wel emoosie in,’ had de PR-chef van stichting stadspromoosie gezegd. ‘Komt goeeed!’ zeiden de lui van het reclambureau. De eerste versie werd afgekeurd. Niks mis met de emoosie , ‘maar,’ zo zei de PR-chef, ‘het mist allure’, we zijn hier verdomme niet in Tilburg.’ Wat een geluk dat de acquisitie die week net een advertentie van restaurant ‘Seizoen’ binnensleepte. Over allure gesproken: ‘Hoge eetzaal en een entresol met uitzicht op het gezellige Zuiderdiep’. Een running gag die wekenlang meeging. ‘Wat doen we met die vrijmibo? Een borrel op het gezellige Zuiderdiep?’ Lachen! ‘Beter,’ oordeelde de PR-chef, maar die ijsbaan is nog te kneuterig. We zijn hier niet in Volendam’. ‘No sweat,’ zei de copywriter, dat passen we aan. En zo werd ‘gezellig wintervertier voor jong en oud’: ”Waar iedere zomer de paardenkeuring wordt gehouden, kun je nu een maand lang zwieren over het ijs. Met Glühwein en muziek’. ‘Paardenkeuring?’ zei de art director die toch ook alweer twintig jaar in Groningen woonde.  ’Bij de VVV zeiden ze dat er authenticiteit in moest,’ verdedigde de copywriter, ‘En trouwens, ik heb daar écht een keer een paard gezien hoor’. Daarna ging het snel. Van het Echte Museum met Echte Kunst kregen ze een tekst aangeleverd waar niets aan hoefde te worden veranderd. Prachttekst over Folkert de Jong, een kunstenaar ‘bekend om zijn levensgrote beeldengroepen van foam en schuim.’ Dat bekte lekker internationaal: ‘foam én schuim!’ Dat ze niet dachten dat ze hier in Zoetermeer waren. Maar de klapper was toch wel de 3FM Serious Request! ‘Bekende 3FM DJ’s sluiten zich zes dagen lang op. Zo vragen ze aandacht en zamelen ze geld in voor de strijd tegen malaria. ‘Pre-cies!’ zei de VVV-chef, ‘dat is authentieke Groningse ondernemingsgeest. Daar mogen we als Stadjers best trots op zijn, dat we met z’n allen zo’n stuk Noordelijke authenticiteit op de kaart hebben weten te zetten.’ Toen alles op dinsdagmiddag naar de drukker was, nodigde hij het hele team uit om een hapje te gaan eten bij Bistro ‘t Gerecht. Geen uitzicht op het gezellige Zuiderdiep. Dat was jammer. Maar veel Groningser dan aan de Boteringestraat waar het ‘lijkt alsof je 700 kilometer zuidelijker dineert door de sfeer van een authentieke bistro in hartje Parijs,’ kreeg je het toch nergens.

Ik verheug me zelf ontzettend op de omgorde lendenen van de ’serving girls.’ En zo zit er een stukje Groningen in ieder van ons.

Published by admin, on December 5th, 2009 at 1:41 pm. Filled under: Uncategorized4 Comments

Bitt’re smart

In alle consternatie vergat de concierge de versterker op te blazen. Het enige minpuntje tijdens de verder vlekkeloos verlopen aankomst van Sinterklaas op de school van mijn kinderen. Opvallende nieuwe trend: de ouders zingen de liedjes luid, streng en met hoorbaar verwijt aan het onderwijzend personeel. Dat ze je kinderen niet leren rekenen is een ding. Maar dat ze je kinderen niet leren dat er na ‘O jongens jongens ‘t is zo’n baas’ nog een paar coupletten volgen is ernstig. Het uurtje humanistisch vormingsonderwijs lijkt mij een ideale plaats voor een partijtje gezongen zelfreflectie. Ook de buurtregisseur (de vroegere wijkagent) kan in zijn klassepraatje mooi inhaken op het thema schuld en boete dat het Sinterklaasfeest aankleeft. ‘Het is bij de politie net als met Sinterklaas. Wie zijn best doet en zijn chips bij de Turkse buurtsuper netjes betaalt, die wuiven we vriendelijk toe. Maar ‘o wee wat bitt’re smart’ wie zijn colablikjes in de geveltuin smijt, die krijgt met de roe (toont de wapenstok) en als je het nog bonter maakt, dan ga je mee in de zak (toont afbeelding van een geknevelde arrestant).’ Een week geleden stond er een stuk in de krant over een actiegroep die kinderen weer zuiver en melodieus wil leren zingen. I’m all for it. Whatever happened to De Damrakkertjes met hun gouwen keeltjes? Weg met de loze feestelijkheden van de tandenfee, Sinte Maarten Mik Mak, Halloween, de speelgoedmiddag en de wekelijkse  ik-weet-niet-wat-er-te-vieren-valt-maar-verkleed-naar-school-in-je-roze-prinsessenjurk-is-altijd-feestelijk-dag. Minder, heel veel minder, is meer.

Zure ouwe man voelde toch zijn tranen branden toen een 300 koppig kinderkoor ‘Piet piet!’ begon te roepen en op het dak van de school daadwerkelijk een in Moren-tenue geklede Schwarze Peter verscheen. Het opgewonden geroezemoes in de schoolgangen daarna en de e-mail van de voetbalclub ‘kom zaterdagochtend de Sinterklaaszenuwen lekker van je aftrappen’ maakten alles weer goed. Sinterklaas arriveerde in een bakfiets. Ook heel mooi. Ode aan de Sint die zelfs in de krappe bak van de fietsfabriek zijn waardigheid te behouden wist. Verder: vrijwilligers gevraagd om bij Bart Smit en Intertoys en in de bakken van de Free Record Shop alle Sinterklaas-ceedees voorzien van moderne ‘housebeat’ te verzamelen ter centrale vernietiging. Deze week gehoord: een Sinterklaaslied op de wijs van ‘Doe mij een toppertje en een breezer ananas’. Er zijn grenzen en ik weet wel een paar zangers die ze daar wat mij betreft over kunnen zetten.

Published by admin, on December 4th, 2009 at 10:03 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Stil in Amsterdam

Het grootste deel van mijn leven vond ik er niet veel aan. Ramses was mij te theatraal. Zijn bekering tot de Bhagwan deed mijn waardering voor de persoon Ramses weinig goed. Vrienden namen bandjes op om je te overtuigen. Die beluisterde ik plichtmatig, daarna ging het bandje de kast in. Ik ben van het barbaarse soort dat liever luistert naar de Andre van Duin-versie van ‘Doorgaan’ dan naar het origineel. Toch zong ik eergisteravond met mijn jongste nog uit volle borst ‘Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, want dan worrr je lekker nat’. Wie Nederlandstalige muziek niet bij voorbaat afwijst, kon toch moeilijk om hem heen.

Het keerpunt kwam voor mij bij de documentaire ’stil in Amsterdam’, vooral bij het luisteren naar het live uitgevoerde titelnummer. Dat is geen theater en als het dat wel is, dan is het goed theater. Voor een geloofwaardiger cocktail van muziek en inhoud kan ik hooguit verwijzen naar Brel. En dan kun je nog zeggen: het is de verdienste van de documentairemaker die op het goeie moment op de goeie plaats was. Dan zeg ik: stuur die documentairemaker dan maar eens bij Henk Westbroek of Gordon langs en kijk of-t-ie daar dezelfde breekbaarheid en oprechtheid vast weet te leggen. Een andere mooie, maar wrange, scene in de docu is het moment waarop de geestelijk afwezige Ramses in het verpleegtehuis glimlachend een optreden van Willeke Alberti bijwoont. Het zou mooi zijn als iemand Willeke daar de komende week eens naar zou kunnen vragen.

Published by admin, on December 1st, 2009 at 1:21 pm. Filled under: UncategorizedNo Comments

Aflevering 137

De woordsoep nieuwsbrief (’boutenkit’, aflevering 137!) is weer de deur uit. Wie hem ook wil ontvangen, meldde zich aan via: info@woordsoep.nl De aflevering van vandaag begint zo:

Ik heb een gevoelig deel van mijn leven in een stad aan de IJssel doorgebracht. Waarschijnlijk daarom vind ik ‘bouten’ zo’n fijn synoniem voor ‘poepen’. Misschien kent u het woord ook wel, hoewel u bent opgegroeid op de oevers van de Dollard, of langs de Maas. Ik heb het - evenals het weinig subtiele ‘kleien’ - zelf nooit buiten de koekstad horen gebruiken. Het is een mannelijk en robuust woord. Ik kan en wil niet denken aan boutende vrouwen. Omgekeerd heb ik ook moeite met mannen (ik ken er 1) die het woord ‘doddig’ gebruiken. ‘Doddig’ is een woord dat in dezelfde semantische doos ligt als ‘nagellak-remover’ en ‘poederdonsje’. Ik ben er al een poosje uit, maar ik veronderstel dat een dame die in het café aankondigt dat ze ‘effe lekker’ gaat bouten, haar doelgroep verkleint tot een selecte groep dronken griezels en slechthorenden…

Published by admin, on November 29th, 2009 at 4:09 pm. Filled under: Uncategorized2 Comments

Rommelpiet

Maggi jr. mocht op school zijn schoen zetten. Een mooie traditie die wat mij betreft nog lang mag voortduren. Zonder god en straffe vaderhand is het niet altijd even makkelijk je kinderen in het gareel te houden. Sint en Piet bieden uitkomst en je arsenaal aan dreigementen vertienvoudigt gedurende een maand. Probeer deze maar eens: ‘Ik denk niet dat Zwarte Piet veel zin heeft om bij jongetjes die om tien voor half negen hun jas nog niet aan hebben chocoladeletters in de schoen te doen’. Of het wat minder elegante: ‘voor ondeugende kindertjes heeft Sinterklaas op 5 december niet zoveel tijd’. Als u zelf geen kinderen heeft: het kan ook met het vervelende joch van 265-hs. ‘Heeft je moeder eigenlijk verteld wat Sinterklaas doet met jongetjes die hun AA-flesjes bij buurman in de voortuin gooien?’ Zeker als de boodschap sissend en met een licht krankzinnige blik wordt gepresenteerd, hoeft u die flesjes tot 7 december niet meer zelf op te rapen. Bon. Maggi jr. komt op school en ziet dat ‘rommelpiet’ de hele klas overhoop heeft gegooid. De puinhoop is onbeschrijfelijk. De telramen liggen op de grond, de banken zijn omvergeworpen, potloden en viltstiften slingeren door het lokaal. De ouders kijken elkaar veelbetekenend aan en zeggen dingen als ‘o, o, o, wat heeft die Piet er weer een rommeltje van gemaakt.’ Een jonge moslim, een van maggi junors goeie vrienden, kijkt er verbaasd naar. Het is een wonder dat er uit de wat extremere hoek nog geen roep klinkt om moslimkinderen zoveel openlijk vertoon van katholieke feestelijkheid te besparen. Dat hebben wij bij ons op school niet. Wij eten chocoladepepernoten bij het suikerfeest, de jonge moslims knagen een pauselijk stuk chocola weg als rommelpiet is lang geweest. Iedereen blij. (Ik wil niet cynisch lijken: ik ben er oprecht trots op dat het bij ons zo gaat.) De jonge verbaasde moslim begrijpt er niks van. Het is een zootje in de klas. Dat is normaalgesproken geen goed ding. Als hij erachter komt wie verantwoordelijk is voor de puinhoop, loopt hij naar het raam en schudt zijn vuist: ‘kom maar hier als je durft, rommelpiet. Dan sla ik je in elkaar.’  Juf en ouders sussen. Niemand krijgt hem uitgelegd waarom rommelpiet wel mag, waar hij dag in dag uit voor op z’n lazer krijgt. Meneer Maggi weet het ook niet. Hij loopt verward door de regen naar huis.

Published by admin, on November 26th, 2009 at 10:10 am. Filled under: UncategorizedNo Comments

Kaders audiëntie

Kader verkneukelt zich in zijn - opmerkelijk helder geschreven - column over zijn bezoek aan de paus. Kader mocht samen met Cees Nooteboom en Caspar Berger naar Rome om de Paus te zien. Nou kun je je natuurlijk afvragen wie zoiets bedenkt. Ik bedoel: je mag drie Nederlanders afvaardigen om met een paar honderd buitenlandse kunstbroeders in de Sixtijnse kapel over kunst te praten. Ik veronderstel dat er zoiets bestaat als een interdisciplinaire werkgroep afvaardiging Nederlandse kunstenaars naar kerkelijk leiders van enig gewicht (in de wandelgangen kortweg I-WANK ). Die werkgroep komt bijeen, stelt een longlist op. Slaapt er nog eens over. Maakt beschaafd ruzie over de  voor dit doel door sommigen controversieel geachte kunstenaar Joep van Lieshout. Prikt een vorkje in een sterrententje en discussieert over de mogelijkheden de internationale allure van de Nederlandse Kunsten voor het voetlicht te brengen. ‘We moeten groot denken,’ zegt de werkgroepvoorzitter (die zelf denkt aan Andre Rieu, of Kluun (religie!) maar dat in dit gezelschap niet hardop durft uit te spreken), ‘wat we zoeken is iemand die kan optreden als ambassadeur voor de gehele Nederlandse kunstzinnige gemeenschap. Hij heeft altijd een brokje in de keel als hij die laatste vijf woorden uitspreekt. ‘Nou, da’s dan duidelijk,’ zegt werkgroeplid G. nog voor de biche alsacienne dans sa sauce bavienne wordt opgediend: Kader Abdolah, Cees Nooteboom, Casper Berger.

Dat ik nooit van Caspar Berger had gehoord, durf ik in dit gezelschap niet hardop uit te spreken. Het ligt aan mij. Hij is beeldhouwer. En als je zijn interpretatie van Michelangelo’s David op zijn website ziet, begrijp je wel waarom I-Wank hem heeft uitgekozen. Nooteboom en Abdolah ken ik allebei wel een beetje. Van Nooteboom zou je kunnen zeggen dat het meer voor de hand had gelegen als hij door de Verenigde Duitslanden zou zijn uitgezonden. Abdolah is een terechte keuze. Je kan van alles vinden (en dat doe ik ook) over zijn Koran-vertaling, maar hij is daardoor voor de paus toch een interessante figuur. Een tussenpersoon, een man die leeft tussen twee religies. Een bruggenbouwer tralalala.

Kader schrijft (VK 23 november, p. 24) ‘Via mijn geheime bron in het Vaticaan heb ik vernomen dat Paus Benedictus XVI iets unieks en persoonlijks aan mij in het bijzonder wilde laten zien, iets dat de moeder, de oorsprong van alle kunsten is. Paus Benedictus XVI wil de jas en de schoenen van Jezus aan me laten zien (…) die hij uit moest doen of af moest staan toen hij dat grote zware kruis op zijn rug moest dragen’.

Die Kader boft toch maar! 255 kunstenaars uit heel de wereld ingevlogen en dan haalt Paus Benedictus helemaal voor jou alleen die jas en die schoenen uit de kast. Dat lijkt en is te mooi om waar te zijn. Op de rechterpagina (VK 24 november, p. 25) staat een foto van de paus omringd door die illustere 255 kunstenaars.Kader is duidelijk herkenbaar. De paus kijkt net even de andere kant op, maar dat zal toeval zijn.  Het onderschift luidt: ‘De drie Nederlandse genodigden (…) zaten op de eerste rij. Abdolah zei na afloop: ‘er was duidelijk oogcontact. Ik was natuurlijk ook de enige die er Oosters uitzag’.

Published by admin, on November 23rd, 2009 at 10:30 am. Filled under: Kaderdag, UncategorizedNo Comments